Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
08-3451 AOW + 08-3452 AOW + 09-3694 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Gelet op de gewijzigde tekst van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW met ingang van 1 januari 1999, is de Raad van oordeel dat de Algemene toelichting bij het Besluit van 28 juni 1996, voor zover deze ziet op de artikelen 3 tot en met 6, geen betekenis heeft voor de uitleg van de artikelen 3 tot en met 6 zoals deze luidden sinds de wijziging van het Besluit per 1 januari 1999. Dit betekent dat de Raad, anders dan voorheen, van oordeel is dat in geval van schending van de inlichtingenverplichting artikel 5 van het Besluit van toepassing is, ongeacht of (tevens) is voldaan aan één van de criteria voor verwijtbaarheid, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit zoals dat luidde tot 1 januari 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3451 AOW

08/3452 AOW

09/3694 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2008, 07/2045 (hierna: uitspraak 1), 26 mei 2008, 07/2044 (hierna: uitspraak 2) en 29 mei 2009, 08/1081 (hierna: uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat te Geleen, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellanten zijn niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Svb.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante, ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats], ontving sinds december 1998 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande. Appellant, van 6 maart 1972 tot 1 november 1998 ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats], vervolgens op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] en sinds 3 december 2003 op het adres [adres 3] te [woonplaats], ontving sinds juni 2006 een pensioen ingevolge de AOW voor een alleenstaande.

1.3. Naar aanleiding van een systeemmelding, dat er op het adres van appellant meerdere mensen stonden ingeschreven, heeft de Svb onder meer een huisbezoek afgelegd, waaruit naar voren kwam dat het door appellant opgegeven adres [adres 3] te [woonplaats] een postadres zou zijn en dat hij daadwerkelijk zou wonen op de [adres 1] te [woonplaats]. Vervolgens heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende pensioenen. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij diverse instanties, heeft buurtonderzoek plaatsgevonden in de [adres 2] en de Komeetstraat, zijn getuigen gehoord en hebben appellanten verklaringen afgelegd.

1.4. Op grond van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 21 mei 2007, met bijlagen, heeft de Svb bij besluit van 5 juni 2007 het ouderdomspensioen van appellant met ingang van juni 2006 herzien en bij besluit van

7 juni 2007 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van december 1998, beide naar een pensioen voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Bij afzonderlijke besluiten van 9 oktober 2007 heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 5 juni 2007 en 7 juni 2007 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft de Svb het aan appellante over de periode van december 1998 tot en met mei 2007 verleende pensioen tot een bedrag van € 29.195,59 van haar teruggevorderd, en het maandelijks met het pensioen te verrekenen bedrag vastgesteld op € 38,13. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij besluit van 11 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 9 oktober 2007 ongegrond verklaard en bij uitspraak 3 is het beroep tegen het besluit van 11 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uitspraken 1 en 2

4.1. De Raad onderschrijft de overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten in de periode van december 1998 tot juni 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd bevat, in vergelijking met wat zij in eerste aanleg hebben aangevoerd, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.2. Door van de gevoerde gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij de Svb hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat onverschuldigd AOW-pensioen aan hen is betaald. De Svb was dan ook gehouden de pensioenen van appellanten met ingang van december 1998, respectievelijk juni 2006 te herzien naar het ouderdomspensioen voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. In hetgeen van de zijde van appellanten naar voren is gebracht ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van herziening kon worden afgezien.

4.3. Gelet op het onder 4.1 en 4.2 overwogene slagen de hoger beroepen niet en dienen de uitspraken 1 en 2 te worden bevestigd.

Uitspraak 3

4.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu aan appellante onverschuldigd ouderdomspensioen is betaald, is gegeven dat voldaan is aan de voorwaarde voor terugvordering. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is ook de Raad niet gebleken van dringende redenen om af te zien van terugvordering.

4.5. Appellante heeft de stelling dat zij in verband met hulpbehoevendheid hulp dient in te kopen, zodat sprake is van een situatie waarin haar sociale of financiële omstandigheden zich verzetten tegen volledige terugvordering, niet met gegevens onderbouwd, zodat de Svb hiermee bij de terugvordering en de invordering terecht geen rekening heeft gehouden.

4.6.1. Appellante heeft zich voorts, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 januari 2007, LJN AZ6751, op het standpunt gesteld dat de Svb het ouderdomspensioen ten onrechte met toepassing van artikel 5 van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW, van 28 juni 1996, Staatscourant 1996, nr. 141, (hierna: Besluit) heeft ingevorderd, terwijl geen sprake is van verwijtbaarheid, nu geen boete is opgelegd en geen aangifte is gedaan. Weliswaar is proces-verbaal opgemaakt, maar naar de mening van appellante kan niet louter op grond van een proces-verbaal worden geconcludeerd dat sprake is van verwijtbaarheid. Zij meent dat artikel 6 van het Besluit toegepast had dienen te worden, waarin is bepaald dat niet de volledige, maar ten minste de halve en ten hoogste de hele aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut en op grond waarvan de invorderingsduur verder kan worden beperkt dan met toepassing van artikel 5 van het Besluit.

4.6.2. De Svb heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat hij, conform de onder 4.6.1 genoemde uitspraak van de Raad, als vaste werkwijze pas artikel 5 van het Besluit toepast, indien een boete is opgelegd, aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden. In de situatie van appellante is niet alleen een proces-verbaal opgemaakt, maar is ook aangifte gedaan, zodat aan de geobjectiveerde criteria voor verwijtbaarheid is voldaan. De strafzaak is op 14 februari 2008 geseponeerd wegens de gezondheidstoestand en de leeftijd van appellante. De Svb heeft ter zitting van de Raad verder aangegeven dat hij, ondanks zijn vaste werkwijze, met de rechtbank van oordeel is dat met de wijziging van het Besluit per 1 januari 1999 (Staatscourant 1999, nr. 54), artikel 5 van het Besluit zo dient te worden uitgelegd, dat (reeds) in geval de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 49 van de AOW niet of niet voldoende is nagekomen, artikel 5, en niet artikel 6 van het Besluit van toepassing is.

4.6.3. De Raad overweegt hierover als volgt.

4.6.3.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit (tekst tot 1 januari 1999), is dit artikel van toepassing:

a op de invordering van boeten;

b op de invordering van teruggevorderde onverschuldigd betaalde bedragen, indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een boete is opgelegd, dan wel van een gedraging waarvan de Bank aangifte heeft gedaan of waarvan procesverbaal is opgemaakt en ingezonden.

4.6.3.2. Artikel 5, eerste lid, van het Besluit (tekst tot 1 januari 1999) bepaalt dat dit artikel van toepassing is in andere gevallen dan die genoemd in artikel 4, eerste lid van het Besluit.

4.6.3.3. In de artikelsgewijze toelichting wordt voor de artikelen 3 tot en met 6 van het Besluit verwezen naar de Algemene toelichting, waarin onder meer de door de Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2007 geciteerde passage is opgenomen.

4.6.3.4. Met de wijziging van het Besluit zoals dat luidde vanaf 1 januari 1999 en ten tijde hier in geding, is in artikel 4, eerste lid, het bepaalde onder b geschrapt, zodat dit artikel alleen nog ziet op de invordering van boeten.

4.6.3.5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit (tekst vanaf 1 januari 1999) is dit artikel van toepassing op de invordering van teruggevorderde onverschuldigd betaalde bedragen, indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49 AOW, artikel 35 Anw en artikel 15 AKW.

4.6.3.6. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit (tekst vanaf 1 januari 1999) is dit artikel van toepassing in andere gevallen dan die genoemd in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, eerste lid.

4.6.3.7. Volgens de algemene toelichting bij de wijziging van het Besluit per 1 januari 1999 wordt in het Besluit onderscheid gemaakt tussen de invordering van boeten (artikel 4), de invordering van onverschuldigd betaalde bedragen, waarbij de vordering uit onverschuldigde betaling het gevolg is van het niet voldoen aan de informatieplicht (artikel 5) en overige vorderingen (artikel 6). In de artikelsgewijze toelichting is vermeld: “Met betrekking tot terugvorderingen van onverschuldigd betaalde bedragen wordt onderscheid gemaakt tussen terugvorderingen die samenhangen met het niet of niet op de juiste wijze voldoen aan de inlichtingenplicht (artikel 5), en terugvorderingen die daarmee geen verband hebben (artikel 6).”.

4.6.3.8. Gelet op de gewijzigde tekst van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit met ingang van 1 januari 1999, is de Raad van oordeel dat de Algemene toelichting bij het Besluit van 28 juni 1996, voor zover deze ziet op de artikelen 3 tot en met 6, geen betekenis heeft voor de uitleg van de artikelen 3 tot en met 6 zoals deze luidden sinds de wijziging van het Besluit per 1 januari 1999. Dit betekent dat de Raad, anders dan voorheen, van oordeel is dat in geval van schending van de inlichtingenverplichting artikel 5 van het Besluit van toepassing is, ongeacht of (tevens) is voldaan aan één van de criteria voor verwijtbaarheid, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit zoals dat luidde tot 1 januari 1999.

4.6.4. Nu de Raad onder rechtsoverweging 4.2 al heeft geconcludeerd dat sprake was van schending van de inlichtingenverplichting, volgt uit het onder 4.6.3.1 tot en met 4.6.3.8 overwogene dat de Svb het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen terecht met toepassing van artikel 5 van het Besluit heeft ingevorderd.

4.6.5. Uitspraak 3 komt derhalve eveneens voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraken 1, 2 en 3.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AV