Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-7427 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies en de Regeling vredesmissies politie zijn op appellant van toepassing. De Raad is met de minister van oordeel dat van een situatie, waarin de Regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, geen sprake is. Zoals door de minister onweersproken is gesteld, kan niet worden gezegd dat de door appellant vanwege de VN ontvangen vergoeding in redelijkheid niet voldoende was om de kosten te dekken ter bestrijding waarvan deze vergoeding strekte. Ook overigens ziet de Raad geen dwingende argumenten om te oordelen dat de minister gebruik had moeten maken van de hem op grond van artikel 19 van de Regeling toekomende bevoegdheid. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7427 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2008, 07/9427, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, (hierna: minister)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 2010, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam bij de Nederlandse Politie Academie, is voor de periode van

28 januari 2007 tot 28 juli 2007 in verband met de Nederlandse bijdrage aan de missie van de Verenigde Naties (VN) in Sudan (UNMIS) ter beschikking gesteld aan de VN. In verband hiermee is aan appellant gedurende de periode van 28 januari 2007 tot en met 10 augustus 2007 buitengewoon verlof verleend.

Bij besluit van 21 december 2006 (hierna: primair besluit) heeft de minister onder meer bepaald dat gedurende het buitengewoon verlof ten behoeve van de beschikbaarstelling het Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies en de Regeling vredesmissies politie (hierna: Regeling) op appellant van toepassing zijn.

2. De minister heeft na gemaakt bezwaar bij besluit van 5 november 2007 (hierna: bestreden besluit) het besluit van 21 december 2006 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad overweegt allereerst ambtshalve dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit namens de minister zijn genomen door dezelfde persoon, te weten het hoofd van de afdeling Internationale Samenwerking van het directoraat-generaal Veiligheid. In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit, waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met de genoemde bepaling is genomen. Reeds vanwege dit bevoegdheidsgebrek kan het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft de directeur Politie blijkens zijn besluit van 18 maart 2010 namens de minister echter het bestreden besluit door bekrachtiging geheel voor zijn rekening genomen. Gelet hierop zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.2. Door appellant is, voor zover hier van belang, tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hem ten onrechte de onbelaste toelage van € 25,83 per dag, genoemd in artikel 8 van de Regeling, is onthouden. Appellant stelt dat bij de voorbereiding van de uitzending aan hem informatie is verstrekt, op grond waarvan hij erop mocht rekenen dat hij dezelfde vergoedingen zou ontvangen als het personeel van de Koninklijke marechaussee (KMAR), dat met dezelfde missie ten behoeve van de VN naar Sudan was uitgezonden; dat personeel heeft deze onbelaste toelage wel ontvangen. Voorts meent appellant dat de minister hierin een reden had moeten zien om zo nodig toepassing te geven aan de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 19 van de Regeling.

3.3. De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat appellant aan de Regeling geen aanspraak kan ontlenen op de in artikel 8 van de Regeling bedoelde onbelaste onkosten-vergoeding, omdat hij aanspraak heeft op een volledige dagvergoeding, inclusief huisvesting, voeding en andere onkosten vanwege de VN (tot 25 februari 2007:

US$ 172,- en daarna US$ 116,- per dag).

3.4. De Raad is met de rechtbank in de aangevallen uitspraak van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan de minister gehouden zou zijn om hem de onderhavige vergoeding in strijd met de Regeling toe te kennen. Weliswaar is bij de voorbereiding van de uitzending van appellant aan de orde geweest dat het personeel afkomstig van de politie in financieel opzicht in de pas zou moeten lopen met het uitgezonden personeel van de KMAR, maar van een bindende toezegging dat dit te allen tijde het geval zou zijn, is geen sprake geweest. Bij mailbericht van 2 november 2006 is ook aan het uit te zenden politie-personeel uitdrukkelijk meegedeeld dat de kostenvergoeding van US$ 27,- per dag vervalt vanwege de VN-toelage van US$ 120,-. Aan dit mailbericht is een discussie vooraf gegaan, waarin van de zijde van de minister, aldus appellant, is gesteld dat als zou blijken dat het KMAR-personeel wel aanspraak zou kunnen maken op de vergoeding, appellant deze vergoeding ook zou ontvangen. Het KMAR-personeel heeft echter ingevolge de voor dit personeel geldende Regeling voorzieningen bij vrede- en humanitaire operaties geen aanspraak op deze vergoeding. Terecht heeft de minister erop gewezen dat hij niet verplicht kan zijn om een door de minister van Defensie ten aanzien van het KMAR-personeel gemaakte fout bij de toekenning van de vergoeding over te nemen. Van een toezegging dat appellant de vergoeding ook zou ontvangen, indien deze feitelijk ten onrechte door het KMAR-personeel zou worden genoten, is uiteraard geen sprake geweest.

3.5. De Raad is met de minister van oordeel dat van een situatie, waarin de Regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, geen sprake is. Zoals door de minister onweersproken is gesteld, kan niet worden gezegd dat de door appellant vanwege de VN ontvangen vergoeding in redelijkheid niet voldoende was om de kosten te dekken ter bestrijding waarvan deze vergoeding strekte. Ook overigens ziet de Raad geen dwingende argumenten om te oordelen dat de minister gebruik had moeten maken van de hem op grond van artikel 19 van de Regeling toekomende bevoegdheid.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd evenals het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit moeten in stand worden gelaten.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) I. Mos.

HD