Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-5457 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie vanwege inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Voldoende aannemelijk geworden dat appellant werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige in enkele ondernemingen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het in de vaste rechtspraak van de Raad neergelegde uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de eerste, tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen wordt uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5457 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2009, 08/5659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. H. Stoppelenburg, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 15 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 15 november 2003 is de uitbetaling van de WAO-uitkering geschorst. Door het Uwv is onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. Daartoe is een onderzoek werknemersfraude gestart zijn getuigen gehoord. Appellant heeft een verklaring afgelegd. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een Rapport Werknemersfraude van 21 maart 2005, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant als zelfstandig ondernemer in enkele ondernemingen werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen, die niet aan het Uwv zijn gemeld.

1.2. Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het Uwv vanwege inkomsten uit arbeid over de periode van 15 november 2001 tot 15 november 2003 toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO op een wijze zoals in dat besluit is omschreven. Bij besluit van 23 juni 2005 heeft het Uwv de over de periode van 15 november 2001 tot 15 november 2003 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van € 28.086,93 van appellant teruggevorderd. Het door appellant tegen de besluiten van 21 en 23 juni 2005 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 18 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 februari 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juli 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en tevens beslissingen gegeven over proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv, nu een bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage geen antwoord heeft gegeven op de vraag of appellant tot het uitvoeren van de door hem verrichte arbeid in staat was en ook geen verklaring heeft gegeven voor de discrepantie tussen het optreden van appellant bij de diverse keuringen en zijn (door getuigen beschreven) optreden in zijn werk, de bevindingen in de rapportage van deze bezwaarverzekeringsarts niet zonder meer tot de zijne heeft kunnen maken, doch de bezwaarverzekeringsarts om een nadere toelichting had moeten vragen.

1.3. Bij het besluit van 11 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 21 en 23 juni 2005 wederom ongegrond verklaard. Met verwijzing naar de bevindingen van het fraudeonderzoek stelt het Uwv zich op het standpunt dat onomstotelijk is komen vast te staan dat appellant gedurende de periode in geding werkzaamheden heeft verricht en dat hij inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 23 juni 2008, op welke rapportage het bestreden besluit mede is gebaseerd, is er onvoldoende medische grond om algehele en doorlopende arbeidsongeschiktheid aan te nemen in de periode van 15 november 2001 tot en met 14 november 2003. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat uit de stukken niet geconcludeerd kan worden dat appellant destijds zodanig psychisch in de war was dat hij niet in staat geacht kan worden werkzaamheden te hebben kunnen verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat appellant niet geacht kan worden buiten staat te zijn geweest zijn bedrijven te hebben. Dat deze bedrijven failliet zijn gegaan, maakt dit oordeel niet anders. Aangenomen kan worden dat appellant daaruit inkomsten heeft verworven. Wegens het ontbreken van de administratie van de beide bedrijven heeft het Uwv een schatting moeten maken van die inkomsten. Het Uwv heeft zich daarbij hoofdzakelijk gebaseerd op de door appellant zelf verstrekte informatie. Appellant heeft deze schatting niet betwist en ook de rechtbank heeft geen aanleiding gezien de schatting voor onredelijk te houden.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn standpunt dat hij de betreffende werkzaamheden niet heeft verricht. Vanwege zijn psychische klachten was hij daartoe niet in staat. Bovendien werden de betreffende bedrijven geleid door zijn broer, die op naam van appellant heeft geopereerd, aldus appellant.

3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat op grond van de beschikbare gegevens, daarbij met name gelet op de tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde getuigenverklaring van medevennoot [naam medevennoot] en het procesverbaal van verhoor van appellant op 10 februari 2005, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde hier in geding werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige in enkele ondernemingen. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het in de vaste rechtspraak van de Raad neergelegde uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de eerste, tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen wordt uitgegaan. De Raad gaat dan ook voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van appellant dat niet hij, maar zijn broer op zijn naam de onderneming heeft geleid. Voorts onderschrijft de Raad met de rechtbank het standpunt van het Uwv dat uit de beschikbare medische gegevens niet blijkt dat appellant vanwege zijn psychische klachten niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden.

4.2. Niet in geschil is de vaststelling door het Uwv van de omvang van de inkomsten uit arbeid van appellant ten tijde hier in geding. Evenmin zijn in geschil de berekeningen die de arbeidsdeskundige aan de toepassing van artikel 44 van de WAO ten grondslag heeft gelegd en de uitgangspunten die hij daarbij heeft gehanteerd. Het Uwv heeft derhalve terecht beslist dat de WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO over de periode van 15 november 2001 tot 15 november 2003 moet worden uitbetaald op een wijze als in het besluit van 21 juni 2005 is omschreven.

4.3. Met betrekking tot de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu over de periode van 15 november 2001 tot 15 november 2003 een deel van de WAO-uitkering van appellant onverschuldigd is betaald, heeft het Uwv eveneens terecht besloten tot terugvordering te gaan.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK