Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-4830 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zijn arbeid. Geschiktheid voor ten minste een van de aan de WAO-beoordeling ten grondslag gelegde functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4830 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 juli 2009, 07/967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als schoonmaker voor 38 uur per week is na een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid per 29 september 2004 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanwege geschiktheid voor passende functies. Vanuit een situatie dat appellant uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft hij zich op 11 december 2006 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Na een medisch onderzoek door de primaire arts W. van de Klooster-Bhaggoe op 10 april 2007 is appellant hersteld verklaard.

1.2. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij op en na 16 april 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan kennis genomen van een brief van de huisarts G.H. Oron van 27 juli 2007, een brief van de behandelende psychiater Y. Güzelcan van 18 april 2006, de brieven van neuroloog dr. H.W. Mauser van 22 september 2005, 28 juli 2004, 16 februari 2004 en 24 december 2003, alsmede een brief van arts-assistent anesthesiologie B.D. Westerhof van 21 september 2004. Na lichamelijk onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts de beoordeling door de primaire arts onderschreven en is het bezwaar bij besluit van 31 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv de ernst van de klachten heeft onderschat. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de informatie, die appellant een dag voor de zitting had ingezonden, buiten aanmerking heeft gelaten. Tevens heeft de rechtbank volgens appellant verzuimd een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden.

4.4. Dit betekent dat de Raad zich gesteld ziet voor de vraag of appellant op en na 16 april 2007 in staat kan worden geacht ten minste een van de aan de WAO-beoordeling per 29 september 2004 ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Bezwaarverzekeringsarts Kleinjan heeft op 22 mei 2008 en 28 november 2008 de in beroep ingebrachte brieven van de behandelende psychiater van 26 november 2007 respectievelijk 18 november 2008 besproken en uiteengezet waarom er naar haar oordeel per 16 april 2007 geen sprake is van ongeschiktheid voor de in aanmerking te nemen arbeid. De Raad acht de toelichting overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen.

4.6. Wat betreft de stukken die kort voor de zitting bij de rechtbank en tevens in hoger beroep zijn ingebracht overweegt de Raad als volgt. Het betreft een ontheffing van de arbeidsverplichting in het kader van de Wet werk en bijstand over de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 en twee onderliggende medische rapporten van bedrijfsarts O. Mahadew en psycholoog drs. A.A.M. Erich van 10 respectievelijk 19 december 2007. Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken, dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van mening is dat uit deze informatie niet valt af te leiden dat de beperkingen van appellant per datum in geding anders waren dan waarvan het Uwv is uitgegaan. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt niet te volgen. Daarbij acht de Raad tevens van belang dat de overgelegde informatie ziet op een datum ruim na de datum in geding.

5. Tenslotte overweegt de Raad dat de rechtbank heeft kunnen afzien van het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en dat de Raad hiertoe zelf evenmin aanleiding ziet, aangezien er voldoende medische informatie in het dossier voorhanden is en geen sprake is van inhoudelijk tegenstrijdige informatie.

6. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

KR