Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-6630 AW, 08-6631 AW en 08-6632 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing in het belang van de dienst en wegens het feit dat tegen appellant inmiddels een strafrechtelijke vervolging, was ingesteld. Onvoorwaardelijk strafontslag. Plichtsverzuim. Valsheid in geschrifte door een proces-verbaal te ondertekenen terwijl appellant wist dat hetgeen hij had genoteerd niet correct was. Straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig te achten, gezien de publieke functie waarin appellant bovendien boabevoegdheid heeft. Verder was appellant eerder expliciet gewezen op de wijze waarop hij persoonsgegevens moest verkrijgen, namelijk ter plekke en door middel van een geldig identiteitsbewijs. Ongegrond verklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6630 AW, 08/6631 AW en 08/6632 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2008, 07/9328, 08/2589 en 08/3144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M. Klerks, werkzaam bij AbvaKabo FNV. Het college is vertegenwoordigd door mr. T.E.G. Seedorf en N.C.P.W. Verhagen, beiden werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 2002 werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Hij werkte vanaf 1 december 2004 als controleur openbare ruimte bij de dienst Stadsbeheer. Voor het uitvoeren van de bij die functie behorende werkzaamheden is de bevoegdheid vereist van buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boabevoegdheid). Op 21 mei 2007 heeft appellant een burger, E, geverbaliseerd. Op het proces-verbaal heeft appellant het vakje ‘ID’ ingevuld. Appellant heeft dat proces-verbaal ondertekend. Op 7 juni 2007 heeft het college aan appellant de dienstopdracht gegeven om geen processen-verbaal meer op te maken, daartoe overwegende dat het college er bekend mee was geworden dat appellant een proces-verbaal had ondertekend terwijl hij wist dat hetgeen hij had genoteerd niet correct was. Op 7, 8, 9 en 11 juni 2007 is appellant naar het huisadres van E gegaan. Hij heeft op drie van deze data met de schoonmoeder van E gesproken.

1.2. Ten aanzien van het opmaken van het proces-verbaal is tegen appellant een strafrechtelijk onderzoek naar valsheid in geschrifte gestart. Bovendien heeft het ministerie van Justitie onderzocht of de boabevoegdheid van appellant moest worden ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij op grond van artikel 8:15:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) is geschorst tot en met 13 juli 2007 in het belang van de dienst en wegens het feit dat tegen hem inmiddels een strafrechtelijke vervolging was ingesteld. De schorsing is bij besluit van

12 juli 2007 verlengd tot en met 13 augustus 2007. Vervolgens is de schorsing bij besluit van 10 augustus 2007 verlengd tot 13 september 2007. Appellant heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 25 oktober 2007 heeft het college die bezwaren ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 28 september 2007 heeft het college aan appellant met ingang van 1 oktober 2007 onvoorwaardelijk strafontslag en subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebreken verleend. Het college heeft het tegen dat besluit door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 18 februari 2008.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de besluiten van 25 oktober 2007 en 18 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De schorsing

Gedurende de schorsing heeft het college een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de feiten met betrekking tot het opmaken door appellant van het proces-verbaal op 21 mei 2007 en met betrekking tot zijn bezoeken aan het huisadres van E. Daarnaast heeft het college in die periode contact onderhouden met de politie om het verloop en de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek af te wachten. Ten slotte heeft het college contacten met het ministerie van Justitie onderhouden over het onderzoek naar (het intrekken van) appellants boabevoegdheid. Het college heeft het laten functioneren door appellant tijdens het onderzoek niet wenselijk geacht wegens de ernst van de gedragingen en wegens het risico van herhaling daarvan, omdat werd ingeschat dat appellant de onjuist-heid van dergelijk gedrag niet leek in te zien. De Raad is van oordeel dat het college in deze omstandigheden van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om appellant in het belang van de dienst te schorsen, en de duur van deze ordemaatregel vervolgens te verlengen.

3.2. Het ontslag

3.2.1. Gezien een verklaring van hoofdagent [naam hoofdagent], begeleider van het team waar appellant werkzaam was, is appellant er persoonlijk en in algemene mededelingen als lid van de groep op gewezen dat een bekeuring ter plekke uitgereikt moet worden en dat de persoonsgegevens van de geverbaliseerde persoon door middel van een geldig identiteitsbewijs verkregen moeten zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat de verificatie van de persoonsgegevens door raadpleging van een geldig identiteitsbewijs ook tijdens de opleiding (herhaaldelijk) is onderwezen, hetgeen de Raad aannemelijk voorkomt. De Raad stelt vast dat appellant op 21 mei 2007 een proces-verbaal heeft opgemaakt en ondertekend, waarin hij door middel van het invullen van het vakje ‘ID’ heeft aangegeven dat hij de identiteit van E heeft vastgesteld. Appellant heeft echter niet een identiteitsbewijs van E gezien. Daarmee heeft appellant in strijd met de waarheid een proces-verbaal opgemaakt. De stelling van appellant dat hij de identiteit van E later op het bureau heeft gecontroleerd in de Gemeentelijke Basisadministratie voor persoonsgegevens, legt gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen gewicht in de schaal.

3.2.2. Verder is appellant op 7, 8, 9 en 11 juni 2007 naar het huisadres van E gegaan. Hij heeft op drie van deze data met E’s schoonmoeder, P, gesproken. P heeft hierover verklaard dat appellant zich tijdens zijn bezoeken bekend heeft gemaakt als controleur openbare ruimte van de gemeente. Hij heeft herhaaldelijk gevraagd om het legitimatie-bewijs van E te zien. Tijdens het laatste bezoek had appellant een map met allerlei papieren bij zich. Appellant heeft aan P een beoordeling van hem van twee jaar oud getoond. Ook heeft appellant aan P verteld dat de gemeente en het handhavingsteam hem niet goed behandelden en dat hij een slechte beoordeling kreeg, terwijl hij volgens hem goed functioneerde. P heeft verklaard het hinderlijk en niet wenselijk te vinden dat zij op een dergelijke manier door appellant werd benaderd. Zij heeft appellant als heel dwingend ervaren en ze heeft zich gestalkt gevoeld.

Appellant heeft hetgeen P heeft verklaard, niet weersproken.

3.2.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen van appellant plichtsverzuim opleveren waaraan de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten. De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking de publieke functie van appellant waarin hij bovendien boabevoegdheid heeft. Verder was appellant eerder expliciet gewezen op de wijze waarop hij persoonsgegevens moest verkrijgen, namelijk ter plekke en door middel van een geldig identiteitsbewijs. Ook met betrekking tot het bezoeken van het huisadres van E weegt de Raad mee dat appellant eerder diverse malen op vergelijkbaar gedrag is aangesproken. Hij was dus een gewaarschuwd man.

3.2.4. De overige grieven van appellant werpen geen ander licht op de zaak.

4. Gezien het vorenstaande kunnen de besluiten van 25 oktober 2007 en 18 februari 2008 in stand blijven. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.J. Schaap en A.G. Oosthoek als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD