Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-4893 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Uit de medische gegevens kan niet worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts appellants gezondheidstoestand onjuist heeft beoordeeld. Appellant wordt op goede gronden niet langer ongeschikt geacht voor één van de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies, zijnde in dit geval de in aanmerking te nemen maatstaf voor de arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4893 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juli 2008, 07/1788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij advocatenkantoor Delescen te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010.

Appellant is verschenen bij gemachtigde Aerts voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 10 december 2003 wegens maagklachten uitgevallen voor zijn werk in de vleesindustrie. In aansluiting op de wachttijd van destijds 52 weken is aan hem met ingang van 17 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Na een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid van 30 augustus 2005 tot 28 november 2005 - onder meer wegens maag- en nekklachten en psychische problematiek - heeft appellant zich op 31 juli 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet opnieuw ziek gemeld.

2. Bij besluit van 15 augustus 2007 is aan appellant met ingang van 20 augustus 2007 geen ziekengeld meer toegekend, omdat hij geschikt werd geacht voor de voorheen geduide functies.

3. Bij besluit van 12 oktober 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2007 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De betrokken verzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 13 september 2006 bij onderzoek van appellant vastgesteld dat appellant zich op 31 juli 2006 heeft ziek gemeld met spanningsklachten in verband met een toen dreigende echtscheiding. De op het spreekuur door appellant geuite nekklachten waren volgens de verzekeringsarts gerelateerd aan de stress. Mede omdat appellant nog een aantal behandelingen bij de GGZ zou ondergaan, is destijds kennelijk aangenomen dat appellant ongeschikt was om te werken. Bij een nader onderzoek op 15 augustus 2007 heeft de verzekeringsarts, na kennisneming van door de GGZ Oost Brabant verstrekte informatie, vastgesteld dat bij appellant geen sprake was van ernstige psychische afwijkingen. In aanmerking nemend dat de psychiatrische behandeling ten einde liep, heeft de verzekeringsarts toen geconcludeerd dat appellant weer in staat moest worden geacht de voorheen geduide functies te verrichten.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts, die appellant op de hoorzitting van 25 september 2007 heeft gezien, heeft mede gelet op vorenbedoelde informatie van de behandelend sector vastgesteld dat appellant ten gevolge van veel psychosociale problematiek nog wat restklachten had passend bij een aanpassingsstoornis en dat hij verminderd stressbestendig was, maar dat hij met inachtneming van daarmee samenhangende beperkingen geschikt moest worden geacht voor vorenbedoelde functies. Appellants beperkingen ten gevolge van nek- en rugklachten en van diens maagafwijking vormden volgens de bezwaarverzekeringsarts evenmin een reden om hem ongeschikt te achten voor vorenbedoelde functies.

5.3. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van door appellant ingebrachte informatie, haar standpunt nader onderbouwd en er onder meer op gewezen dat de door de behandelend psycholoog van appellant gesignaleerde somatiseringstendens niet impliceert dat meer beperkingen moeten worden aangenomen dan reeds was gedaan. Dat de behandelend revalidatie-arts blijkens haar brief van 7 januari 2008 voor appellant ontspanningsoefeningen nodig achtte, wijst er volgens de bezwaarverzekeringsarts op dat sprake is van gezondheidsklachten door een onjuiste houding en spanningsklachten, maar niet door ziekte in engere zin.

5.4. De Raad ziet in de veelheid aan brieven van de behandelend sector die appellant in hoger beroep heeft ingebracht geen reden om de door de bezwaarverzekeringsarts na een zorgvuldige afweging getrokken conclusie niet te onderschrijven. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar reacties op die brieven heeft uiteengezet, bevatten deze enerzijds informatie die reeds bekend was en waarmee ook bij de voorbereiding van het bestreden besluit rekening is gehouden en refereren deze anderzijds aan klachten die eerst geruime tijd na de datum hier in geding zijn ontstaan. Uit deze medische gegevens kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts appellants gezondheidstoestand ten tijde hier in geding onjuist heeft beoordeeld. De Raad onderschrijft mitsdien het oordeel van de rechtbank dat appellant op goede gronden met ingang van 20 augustus 2007 niet langer ongeschikt is geacht voor één van de hiervoor bedoelde functies, zijnde in dit geval de in aanmerking te nemen maatstaf voor de arbeid.

5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

EK