Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-997 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstopdracht tot ondertekening geheimhoudingsverklaring. Bestreden besluit is door de rechtbank vernietigd. Gelet op de imperatieve voorschriften van art. 802, lid 2, ARA en art. 2 Besluit verklaring geheim-houding, was de DWI niet bevoegd om betrokkene op te dragen een geheim-houdingsverklaring te ondertekenen die afwijkt van de verklaring die is vastgesteld in het formulier bij het Besluit. Gegeven het imperatieve karakter kan een bevoegdheid daartoe evenmin worden gebaseerd op art. 204, ARA. De Wbp en het bepaalde in en krachtens de Wet Suwi, schrijven appellant voor om passende maatregelen te treffen ter bevordering van het juiste gebruik van de databanken en ter voorkoming van misbruik ervan. Ondertekening van een geheimhoudingsverklaring zoals thans in geding kan daaraan op zichzelf zeker dienstig zijn. De Raad is echter uit de overgelegde stukken niet gebleken dat appellant, met voorbijgaan aan bepalingen van de voor de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositieregeling, concreet wordt voorgeschreven de medewerkers te verplichten een daarop betrekking hebbende geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/997 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/3067 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 3 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C.D. van der Linde, arbeidsjurist bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. Lange, werkzaam bij ABVAKABO FNV.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is sinds 1996 werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI) van de gemeente Amsterdam. Begin 2008 heeft de DWI aan betrokkene verzocht om een nieuw opgestelde geheimhoudingsverklaring, model 11-07 DWI G 575, te ondertekenen. Nadat betrokkene dit had geweigerd heeft de DWI hem bij dienstopdracht van 21 april 2008 opgedragen deze verklaring alsnog te ondertekenen op straffe van disciplinaire maatregelen. Daarbij is tevens kenbaar gemaakt dat niet ondertekenen ertoe kan leiden dat betrokkene zijn functie niet meer mag uitoefenen.

1.2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen deze dienstopdracht en heeft de verklaring onder protest getekend.

Bij het thans in geding zijnde besluit van 10 juli 2008 heeft de Algemeen Directeur van de DWI namens appellant, voor zover hier van belang, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar tegen de dienstopdracht van 21 april 2008 ongegrond is verklaard, met opdracht aan appellant om een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen. De rechtbank heeft daartoe over-wogen dat uit de toepasselijke regelgeving blijkt dat er voor een verklaring omtrent geheimhouding een verplicht formulier is. De verklaring die betrokkene wordt geacht te ondertekenen, is niet overeenkomstig dat verplichte formulier. De rechtbank was op die grond van oordeel dat appellant niet bevoegd was tot het geven van een dienstopdracht om de niet in de toepasselijke voorschriften voorziene geheimhoudingsverklaring te tekenen. De rechtbank was voorts van oordeel dat, als appellant de bedoeling had om de strekking van de geheimhoudingsplicht te verduidelijken, hij andere middelen had kunnen gebruiken zoals voorlichtingsbijeenkomsten.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen de uitspraak aangevoerd dat medewerkers van de DWI ook toegang hebben tot databanken die door derden ter beschikking zijn gesteld, zoals SUWI-net en de Gemeentelijke basisadministratie. Beide instanties eisen volgens appellant dat de individuele medewerker vooraf een verklaring tekent waarin hij verklaart dat hij geen gegevens zal misbruiken of buiten de organisatie zal brengen. Met het oog daarop werden in het verleden aparte verklaringen ondertekend. Die verklaringen waren uitgebreider dan het formulier uit het ambtenarenreglement. Aangevoerd is voorts dat de DWI ook op grond van artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verplicht is passende technische en organisatorische maatregelen te nemen. Appellant baseert zijn bevoegdheid op artikel 204 van het (tot 1 oktober 2008 geldende) Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). In dat artikel is bepaald dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat sinds de ondertekening van de nieuwe geheimhoudingsverklaring het aantal incidenten sterk is gedaald.

3.2. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij het eens is met het oordeel van de rechtbank dat de namens appellant aangevoerde argumenten hem niet de bevoegdheid geven om af te wijken van de dwingend voorgeschreven verklaring geheimhouding. De DWI had volgens betrokkene de gewenste verklaring door appellant dienen te laten formaliseren.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ten tijde hier van belang schreef artikel 802, tweede lid, van het ARA voor dat appellant regels geeft met betrekking tot het afleggen van een verklaring omtrent geheimhouding. Ter uitvoering hiervan heeft appellant het Besluit verklaring geheim-houding (hierna: Besluit) vastgesteld. In artikel 2 van het Besluit is bepaald dat voor de door de ambtenaar te ondertekenen verklaring geheimhouding een formulier wordt vastgesteld dat als bijlage bij het Besluit is gevoegd. Gelet op deze imperatieve voorschriften was de DWI niet bevoegd om betrokkene op te dragen een geheim-houdingsverklaring te ondertekenen die afwijkt van de verklaring die is vastgesteld in het formulier bij het Besluit. Gegeven het imperatieve karakter kan een bevoegdheid daartoe evenmin worden gebaseerd op artikel 204 van het ARA.

4.2. Met betrekking tot de overige door appellant genoemde argumenten wijst de Raad erop dat zowel de Wbp als het bepaalde in en krachtens de Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen (Wet Suwi), appellant voorschrijven om passende maat-regelen te treffen ter bevordering van het juiste gebruik van de databanken en ter voorkoming van misbruik ervan. Ondertekening van een geheimhoudingsverklaring zoals thans in geding kan daaraan op zichzelf zeker dienstig zijn. De Raad is echter uit de overgelegde stukken niet gebleken dat appellant, met voorbijgaan aan bepalingen van de voor de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositieregeling, concreet wordt voorgeschreven de medewerkers te verplichten een daarop betrekking hebbende geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

6. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) C. de Blaeij.

HD