Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-394 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zijn arbeid. Geschiktheid voor ten minste een van de aan de WAO-beoordeling ten grondslag gelegde functies te verrichten. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/394 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 december 2008, 07/4158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als etikettenstikster voor 40 uur per week heeft in verband met psychische klachten vanaf 3 maart 2004 uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per 7 juni 2006 is de uitkering ingetrokken vanwege geschiktheid voor passende functies. Vanuit een situatie dat appellante uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft zij zich op 1 november 2006 ziek gemeld vanwege toegenomen klachten. Na een medisch onderzoek door de verzekeringsarts B. Schattenberg op 26 april 2007, waarbij informatie van de behandelende sector is meegewogen, is appellante hersteld verklaard.

1.2. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij op en na 7 mei 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.J. Vervloet na medisch onderzoek op 20 juni 2007 en na kennis genomen te hebben van een brief van de behandelende psychiater R.F. Nieuwenhuis van 3 augustus 2007 het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. Bij besluit van 11 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. In beroep zijn namens appellante een brief van de longarts dr. J.M.A.M. Retera van 6 november 2007 en van de huisarts J.L.M.P. Atillaoglu-Tjon A Tham van 11 januari 2008 in geding gebracht, waarop bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders op 14 oktober 2008 heeft gereageerd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is herhaald dat de beperkingen van appellante zijn onderschat en is informatie van de behandelende sector overgelegd. Voorts is aangevoerd dat ten onrechte geen deskundige is ingeschakeld. Kort voor de zitting is namens appellante nog een indicatieadvies ingezonden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden.

4.4. Dit betekent dat de Raad zich gesteld ziet voor de vraag of appellante op en na 7 mei 2007 in staat kan worden geacht ten minste een van de aan de WAO-beoordeling per 7 juni 2006 ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Zij hebben zich een beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellante door eigen onderzoek en hebben informatie van de behandelende sector bij de beoordeling betrokken. Op 14 oktober 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts Lenders op de in beroep ingebrachte brieven van de behandelend longarts en de huisarts gereageerd en uiteengezet waarom die informatie geen reden geeft tot wijziging van het ingenomen standpunt. De Raad acht de toelichting overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen.

4.6. Wat betreft de medische stukken die in hoger beroep in geding zijn gebracht overweegt de Raad, dat het gaat om een brief van psycholoog S. van Dam van 27 maart 2009 en een brief van psycholoog B. Özsoy en psychotherapeut R. Aallali van

4 november 2009. Op 12 juni 2009 en 19 november 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts Lenders toegelicht op grond waarvan hij van mening is dat de overgelegde informatie geen nieuwe gezichtspunten oplevert ten aanzien van de belastbaarheid van appellante per de datum in geding. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van het Uwv onjuist te achten.

4.7. Ten aanzien van het op 15 maart 2010 aan de Raad toegezonden indicatieadvies leerlingenvervoer is de Raad uit het verhandelde ter zitting gebleken, dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv tot de conclusie is gekomen dat uit deze informatie evenmin valt af te leiden dat de beperkingen van appellante per datum in geding anders waren dan waarvan het Uwv is uitgegaan. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt niet te volgen. Daarbij acht de Raad tevens van belang dat de overgelegde informatie ziet op een aanvraag van 2 december 2009, derhalve geruime tijd na de datum in geding.

5. Tenslotte is de Raad van oordeel dat gezien de voorhanden zijnde medische gegevens er geen reden was voor inschakeling van een deskundige. Evenmin ziet de Raad hier zelf aanleiding toe.

6. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

JL