Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-326 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijzondere bijstand. Geen dringende redenen. Er Is geen sprake van schulden die appellante in haar bestaansvoorziening bedreigden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/326 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te Amsterdam (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2007, 06/4532 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Voor appellant is verschenen is verschenen mr. Van Hoof. Het College heeft zich - zoals vooraf bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het College appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 14 juni 2004 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar en het tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroep, heeft het College bij besluit van 14 april 2005 de ingangsdatum van de bijstand op 23 april 2004 gesteld. De bijstand over de periode van 23 april 2004 tot 14 juni 2004 is nabetaald.

1.2. Appellante heeft sinds 26 maart 2004 een telefoonabonnement bij KPN Mobile The Netherlands BV (hierna KPN). KPN heeft op 6 juli 2004, 5 augustus 2004, 7 september 2004 en 28 september 2004 abonnementsgelden, gesprekskosten en andere bedragen die verband houden met het abonnement bij appellante in rekening gebracht. Omdat appellante niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed, heeft KPN het abonnement met ingang van 15 september 2004 beëindigd. In verband daarmee heeft de kantonrechter Amsterdam bij vonnis van 8 februari 2006 appellante veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.886,94 aan KPN.

1.3. Op 3 maart 2006 heeft appellante bij het College bijzondere bijstand aangevraagd voor het betalen van een afkoopsom van haar telefoonabonnement bij KPN ter hoogte van € 1.886,94. Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 13, eerste lid aanhef en onder f, van de WWB afgewezen.

1.4. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Voorts heeft haar gemachtigde ter zitting van de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de Raad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Geen uitspraak in het openbaar

4.1.1. Ingevolge artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeldt de schriftelijke uitspraak van de rechtbank de beslissing en de dag waarop de beslissing is uitgesproken. In artikel 8:78 van de Awb is bepaald dat de rechtbank de beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, van de Awb in het openbaar uitspreekt, in tegenwoordigheid van de griffier. Ingevolge artikel 8:79, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak aan partijen.

4.1.2. Appellante heeft aangevoerd dat (het dictum van) de aangevallen uitspraak ten onrechte niet in het openbaar is uitgesproken.

4.1.3. Die grief treft doel. In de aangevallen uitspraak is, voor zover hier van belang, vermeld dat deze is gedaan op 6 december 2007 en is bekend gemaakt door verzending aan partijen op 7 december 2007. Uit de uitspraak blijkt derhalve niet dat de daarin neergelegde beslissing in het openbaar is uitgesproken. Evenmin bevindt zich bij de gedingstukken een proces-verbaal waaruit dit kan worden afgeleid. Mede gezien hetgeen de Raad inmiddels ambtshalve bekend is omtrent de handelwijze van de rechtbank ten tijde hier van belang moet ervan worden uitgegaan dat de rechtbank het uitspreken in het openbaar van de beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, van de Awb achterwege heeft gelaten en met toezending van een afschrift van de schriftelijke uitspraak aan partijen heeft volstaan. Aldus is niet voldaan aan artikel 8:78 van de Awb.

4.1.4. Om deze reden dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad is van oordeel dat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en zal deze daarom zelf afdoen.

4.2. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand

4.2.1. Gelet op de onder 1.2 en 1.3 genoemde feiten staat vast dat de onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand kosten betreft die appellante vóór de dag van de aanvraag in rekening zijn gebracht en nog niet waren voldaan. De Raad is van oordeel dat het College bij zijn besluitvorming daarom terecht is uitgegaan van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een schuld ter hoogte van € 1.886,94.

4.2.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.2.3. Vaststaat dat de schuld verband houdt met het feit dat appellante de onder 1.2 genoemde facturen niet heeft betaald. De Raad is, gelet op de onder 1.1 genoemde feiten, niet gebleken dat appellante op de factuurdata en ook nadien een inkomen had dat niet toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, ondanks het feit dat zij in een schuldsaneringstraject was opgenomen. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dan ook een beletsel voor de verlening van bijstand voor de schulden bij KPN.

4.2.4. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

4.2.5. Appellante stelt zich op het standpunt - onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (MvT) op deze bepaling - dat de schuldenlast mede is ontstaan als gevolg van het feit dat de bijstand over de periode van 23 april 2004 tot en met 13 juni 2004 pas bij het besluit van 14 april 2005 is toegekend en nadien is uitbetaald en de definitieve uitbetaling van de bij het besluit van 30 juni 2004 met ingang van 14 juni 2004 verleende bijstand pas vanaf eind augustus 2004 plaatsvond. Dat is evenwel op zichzelf nog niet voldoende voor toepassing van deze bepaling, evenmin als het bestaan van een grote schuldenlast als zodanig. Er moet, gelet op het uitzonderingskarakter van deze bepaling en mede gelet op de bewoordingen ervan, tevens sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkenen op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus onvermijdelijk is. Van dergelijke omstandigheden is de Raad niet gebleken. Met name is niet gebleken dat sprake is van schulden die appellante in haar bestaansvoorziening bedreigden. Het voorgaande betekent dat van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB ten tijde hier van belang geen sprake was, zodat het College niet bevoegd was over te gaan tot verlening van bijzondere bijstand voor de schulden van appellante.

4.2.6. Uit hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen vloeit voort dat het beroep van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2006 ongegrond moet worden verklaard.

5. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wijst de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, af. De termijn is aangevangen op 8 juni 2006, de dag waarop het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 mei 2006 heeft ontvangen. De Raad doet op 7 juni 2010 uitspraak, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2006 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

RB