Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-3194 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Niet gezegd kan worden dat de kosten van woninginrichting en vervanging van duurzame gebruiksgoederen voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. In de betreffende periode ontving appellant een WW-uitkering, die niet lager was dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een alleenstaande en die in de periode waarin appellant geen woonlasten had beduidend hoger was dan de bijstandsnorm voor een bijstandsgerechtigde zonder woonlasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3194 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 mei 2008, 07/845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Dagelijks Bestuur een aantal stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Dagelijks Bestuur heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In oktober 2005 heeft het Dagelijks Bestuur aan appellant bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend in de vorm van een garantstelling voor een lening van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) ten bedrage van € 1.300,-- voor de kosten van inrichting van een kamer die appellant in Assen heeft gehuurd. Na enkele maanden heeft de verhuurder appellant op straat gezet na problemen met betaling van de huur. De inboedel van appellant is eveneens op straat gezet en is verloren gegaan. Gedurende een periode van circa negen maanden heeft appellant een min of meer zwervend bestaan geleid en in die periode heeft hij lange tijd op een bootje zonder gas en elektriciteit doorgebracht. Medio september 2006 is aan appellant een huurwoning toegewezen. Van de vertrekkende huurder heeft appellant een aantal zaken, waaronder parket, stoffering, luxaflex en lampen, overgenomen. Op 15 september 2006 heeft appellant bijzondere bijstand in de vorm van een garantstelling voor een lening bij de GKB aangevraagd. Op deze aanvraag heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 27 september 2006 afwijzend beslist. Tegen het besluit op bezwaar van 21 november 2006, waarbij het Dagelijks Bestuur het besluit van 27 september 2006 heeft gehandhaafd, heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 1 februari 2007 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Met de bijzondere bijstand beoogde appellant, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, onder meer nog ontbrekende zaken, zoals een bed, te financieren. Tevens wilde appellant zaken die hij 2e hands had gekocht en die inmiddels geheel versleten waren vervangen. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij besluit van 5 september 2007 heeft het Dagelijks Bestuur, onder verwijzing naar het door de Bezwaarschriftencommissie ISD AAT gemeenten op 15 augustus 2007 uitgebrachte advies, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 februari 2007 ongegrond verklaard. In het uitgebrachte advies is overwogen dat de inrichtingskosten van een woning in beginsel behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van bestaan die uit de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Voorts is overwogen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn welke ertoe moeten leiden dat voor deze kosten bijzondere bijstand zou moeten worden toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

5 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van woninginrichting en vervanging van duurzame gebruiksgoederen tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend, welke in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3. Zoals blijkt uit het besluit van 5 september 2007 stelt het Dagelijks Bestuur zich op het standpunt dat de onderhavige kosten weliswaar zijn aan te merken als noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant, maar dat niet gezegd kan worden dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.4. Appellant is van mening dat in zijn situatie sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. In dat verband heeft hij erop gewezen dat de inboedel van zijn kamer in Assen verloren is gegaan, dat in de periode van negen maanden waarin hij een zwervend bestaan heeft geleid zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is opgegaan aan kosten van levensonderhoud en de extra kosten die hij heeft gemaakt omdat hij op de boot niet kon koken. Voorts moest appellant met deze lage uitkering ook nog schulden aflossen, waardoor hij niet kon reserveren voor de kosten van woninginrichting.

4.5. De Raad is met het Dagelijks Bestuur en de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de kosten van woninginrichting en vervanging van duurzame gebruiksgoederen voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. In de betreffende periode ontving appellant een WW-uitkering, die niet lager was dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een alleenstaande en die in de periode waarin appellant geen woonlasten had beduidend hoger was dan de bijstandsnorm voor een bijstandsgerechtigde zonder woonlasten. Voor zover het appellant heeft ontbroken aan (voldoende) reserveringsruimte als gevolg van zijn schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen, is dat naar vaste rechtspraak van de Raad niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. De Raad is niet gebleken dat vanaf begin 2006 tot 1 februari 2007 sprake is geweest van een te korte reserveringsperiode in relatie tot de omvang van de kosten. Over de omvang van de resterende kosten aan woninginrichting heeft appellant ook ter zitting van de Raad geen opheldering verstrekt, terwijl zijn toenmalige gemachtigde tijdens de hoorzitting op 15 augustus 2007 heeft verklaard dat appellant door geen huur te betalen een aantal zaken heeft aangeschaft. De omstandigheid dat, zoals appellant heeft gesteld, zijn WW-uitkering na de aflossing van schulden geheel is opgegaan aan kosten van levensonderhoud en de extra kosten die hij heeft gemaakt als dakloze kan daaraan niet afdoen.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

AV