Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-2822 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Uit de brief van psycholoog kan weliswaar worden afgeleid dat appellant ook ten tijde hier van belang psychische klachten had, maar niet dat deze klachten zodanig waren dat hij niet in staat was zijn belangen te (laten) behartigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2822 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 april 2008, 07/4963 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Namens appellant is mr. Gürses verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.L. Bakker, werkzaam bij de gemeente Nijkerk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het College de aanvraag van appellant om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand afgewezen.

1.2. Appellant heeft per brief, gedagtekend 27 september 2007, bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaarschrift is op 2 oktober 2007 bij de gemeente Nijkerk binnengekomen. In het bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat hij in verband met zijn verblijf in het huis van bewaring van medio juli tot begin augustus 2007 wat later aan zijn bezwaar is toegekomen en dat het besluit is gestuurd naar het adres [adres] in Nijkerk, waar hij even niet is geweest om wat tot rust te komen bij vrienden en familie.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2007, verzonden op 22 oktober 2007, heeft het College het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Daartoe heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellant na afloop van zijn detentie nog voldoende tijd had om bezwaar te maken en dat het zijn verantwoordelijkheid is een regeling te treffen voor de post als hij tijdelijk niet op zijn woonadres verblijft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 31 juli 2007 naar het door appellant bij de aanvraag van bijstand opgegeven adres is verstuurd, dat de termijn voor het maken van bezwaar eindigde op 11 september 2007 en dat het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend. Appellant heeft in de periode van 23 juli 2007 tot en met 4 augustus 2007 in detentie doorgebracht en heeft aansluitend, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, gedurende twee à drie weken bij een vriendin in Utrecht verbleven. Ter ondersteuning voor de stelling dat hij na terugkeer in zijn woning en na kennisneming van het besluit van 31 juli 2007 vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat was tijdig bezwaar te maken, heeft appellant zich in hoger beroep beroepen op de informatie die psycholoog T. Tasliyurt bij brief van 22 februari 2008 heeft verstrekt. Deze brief vermeldt als beschrijvende diagnose: stemmingsklachten bij 38-jarige Turkse man met multiple problemen (geen werk, geen inkomen, geen huisvesting), die kunnen passen bij een chronische aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis in emotie en gedrag en dat differentieel diagnostisch ook gedacht kan worden aan een depressieve stoornis nao en een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken. Naar het oordeel van de Raad kan uit deze brief weliswaar worden afgeleid dat appellant ook ten tijde hier van belang psychische klachten had, maar niet dat deze klachten zodanig waren dat hij niet in staat was zijn belangen te (laten) behartigen. In dit verband wijst de Raad er bovendien op dat appellant destijds de hulp had van een maatschappelijk werker en dat hij zich ook met het besluit van 31 juli 2007 tot die hulpverlener heeft gewend, die, zoals appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, na afloop van diens vakantie het bezwaarschrift heeft opgesteld.

4.3. Uit het besluit van 16 oktober 2007 blijkt dat het door appellant gemaakte bezwaar in verband met de overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het College de opvatting was toegedaan dat de door appellant in zijn bezwaarschrift genoemde argumenten niet kunnen leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op deze grond heeft het College met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen afgezien. Naar het oordeel van de Raad heeft het College op grond van de in het bezwaarschrift aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding zich op het standpunt kunnen stellen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Derhalve is voldaan aan de relevante voorwaarde voor toepassing van artikel 7:3 van de Awb. De omstandigheid dat appellant in zijn bezwaarschrift kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn verhaal, dat wil zeggen de reden waarom hij zich niet kan verenigen met de afwijzing van bijstand, verder zou willen toelichten, kan niet leiden tot een ander oordeel.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

AV