Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-932 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WAJONG-uitkering. Geen bijzondere omstandigheid, die aanleiding geeft de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag. Onbekendheid met de regelgeving levert geen bijzonder geval op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/932 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2009, 08/2497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smitshuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Bij besluit van 24 december 2007 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 22 april 2006 een Wajong-uitkering toegekend. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 15 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het Uwv is er geen bijzondere omstandigheid, die aanleiding geeft de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onbekendheid bij appellante en bij hulpverlenende instanties met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan opleveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante op diverse momenten in staat is gebleken haar zaken te regelen, zodat evenmin gezegd kan worden dat de ziekte van appellante van doorslaggevende invloed moet zijn geweest op het tijdstip van de aanvraag.

3. In hoger beroep hebben partijen hun eerder ingenomen standpunten gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank volgt de Raad het Uwv dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Verzekeringsarts M.G. van Berckel Smit-Ruys heeft bij haar onderzoek onderkend dat de psychische klachten van appellante al van voor haar zeventiende jaar dateren. Deze arts stelt zich tevens op het standpunt dat appellante in de gelegenheid is geweest om tenminste een beroep te doen op derden om een Wajong-uitkering aan te vragen. Sedert haar achttiende jaar heeft zij ondanks haar forse klachten regelmatig contact gehad met derden en om hulp gevraagd, zoals bij de opvanghuizen waar zij woonde. Verder heeft zij diverse baantjes gehad en regelmatig een bijstandsuitkering aangevraagd en gekregen, alsdus de verzekeringsarts. Bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het medisch oordeel van verzekeringsarts Van Berckel Smit-Ruys. De aanwezige aandoening maakt niet dat appellante eerder buiten staat was een aanvraag te doen. Dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid daartoe, is geen verschoonbare reden. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden het standpunt van het Uwv, dat op deze verzekeringsgeneeskundige conclusies is gebaseerd, voor onjuist te houden. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die aannemelijk maken dat het standpunt van het Uwv, dat de aanvraag eerst op 23 april 2007 is gedaan niet is gelegen in medische problematiek, voor onjuist moet worden gehouden. De Raad houdt het er dan ook voor dat de omstandigheid dat appellante niet eerder heeft verzocht om een Wajong-uitkering het gevolg is geweest van onbekendheid met de mogelijkheid van het doen van een aanvraag van zodanige uitkering bij haar en bij derden die haar in het verleden hebben bijgestaan. Naar vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 24 februari 2010, LJN BL6775, levert onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.

4.2. Derhalve slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

KR