Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-2828 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geen aanleiding om te twijfelen aan juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante per 10 september 2007 niet meer ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als museumconservator en dat evenmin is gebleken dat het Uwv van een onjuiste functie-inhoud van het eigen werk van appellante is uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2828 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2008, 07/2965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

1.1.Appellante is tot 31 december 2005 voor 32 uur per week werkzaam geweest als museumconservator/assistent in dienst van Stichting Museum te [vestigingsplaats].

1.2. Op 8 februari 2007 heeft appellante zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met klachten aan de luchtwegen en een toename van de vermoeidheidsklachten en concentratiestoornissen. In afwachting van uitslagen van neurologisch onderzoek is aan appellante ingaande 8 februari 2007 ziekengeld toegekend. Appellante is hierna diverse malen op het spreekuur van de verzekeringsarts J.M. Lebbing-Wielings gezien. Nadat appellante op 28 augustus 2007 voor het laatst op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts heeft deze namens het Uwv bij besluit van 28 augustus 2007 aan appellante medegedeeld dat zij vanaf 10 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 18 oktober 2007( het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen van 10 oktober 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van de medische gegevens geen aanleiding ziet om te twijfelen aan juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante per 10 september 2007 niet meer ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als museumconservator en dat evenmin is gebleken dat het Uwv van een onjuiste functie-inhoud van het eigen werk van appellante is uitgegaan.

3. In hoger beroep heeft appellante, met verwijzing naar hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, gesteld dat zij een veelheid aan reële klachten heeft waardoor zij niet in staat is haar arbeid te verrichten en zeker niet voor de volledige omvang.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van een ziekte recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.

4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd en is niet nader onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. De Raad ziet daarin geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en onderschrijft de ter zake door de rechtbank weergegeven overwegingen. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 3 juni 2008 naar aanleiding van het hoger beroep nog heeft aangegeven geen medische basis te vinden voor de stelling van appellante dat zij bij het verrichten van loonvormende arbeid haar gezondheid verder zal schaden. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat appellante is beoordeeld op haar eigen parttime functie van museumassistent welke functie blijkens de taakomschrijving als fysiek licht dient te worden beschouwd.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

EK