Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-3349 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3349 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 14 mei 2009, 08/1378 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.J.H. Reitsma, advocaat te Vught. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene, werkzaam bij Expertisecentrum Arbeidsjuridisch, en [naam algemeen directeur], algemeen directeur van de justitiële Jeugdinrichting [naam jeugdinrichting] (hierna: jeugdinrichting).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was groepsleider binnen de jeugdinrichting en gewoonlijk werkzaam op afdeling F, een afdeling voor jeugdige gedetineerden. Op 22 februari 2006 had hij avonddienst op afdeling E, een afdeling voor extra kwetsbare jongeren. Om ongeveer 21.00 uur is hij, samen met een collega, begonnen met het insluiten van de jeugdigen van afdeling E. Tijdens het insluiten heeft de 19-jarige gedetineerde [H.] van afdeling F, die daar verbleef vanwege een ernstig geweldsdelict, aan appellant gevraagd de deur van de kamer van de 14-jarige pupil [Y.] te openen om een geintje met hem uit te halen. Appellant heeft [H.] de toegang verleend tot de kamer van [Y.], de deur van die kamer gesloten en deze na korte tijd weer opengemaakt.

1.2. [Y.] heeft later verklaard klappen te hebben gekregen van [H.]. Deze heeft verklaard wat te hebben gestoeid met [Y.] en hem een paar tikken op de schouder te hebben gegeven. Bij medisch onderzoek, een dag later, zijn bij [Y.] geen verwondingen vastgesteld.

1.3. Eerder op de avond van 22 februari 2006 had appellant [Y.] aangesproken op niet correct gedrag bij de pooltafel. [Y.] heeft appellant daarop verbaal aangevallen.

1.4. Op 24 februari 2006 heeft de raadsman van [Y.] zich naar aanleiding van dit incident tot de inrichting gewend met het verzoek [Y.] over te plaatsen. Hij heeft aangevoerd dat [Y.] zich niet meer veilig voelt in de inrichting en dat ook de ouders van [Y.] verontrust zijn over zijn veiligheid.

1.5. De minister heeft het onder 1.1 weergegeven optreden van appellant, waarbij hij zich niet heeft gehouden aan de interne regels en afspraken omtrent de veiligheid en waarbij hij niet professioneel heeft gehandeld door een jeugdige in de gelegenheid te stellen zich af te zonderen met een andere jeugdige, in een afgesloten kamer, om daar vervolgens geen toezicht op te houden, aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Hij heeft appellant daarom de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na bezwaar is die straf gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2008 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft de appellant opgelegde straf niet onevenredig geacht.

3. Appellant heeft in hoger beroep het hem verweten plichtsverzuim niet ontkend. Hij heeft - opnieuw - zijn spijt betuigd over zijn onjuiste handelen. Hij kan zich er echter niet mee verenigen dat de rechtbank de opgelegde straf in stand heeft gelaten. Hij is van opvatting dat daarvan niet gezegd kan worden dat deze niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Een zware straf is op zijn plaats maar de nu opgelegde zwaarste straf is niet aanvaardbaar. Appellant heeft gewezen op zijn goede arbeids-verleden en op de ernstige gevolgen van het ontslag. Hij heeft ook nog gewezen op de veel lichtere straf die is opgelegd aan de collega, met wie hij samen de insluiting van de jongeren op 22 februari 2006 deed.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

4.1. Hij volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellant heeft blijk gegeven van een grove miskenning van zijn taak als groepsleider. Hij heeft zijn verplichting om toe te zien op de individuele veiligheid van de jongeren verzaakt. Hij heeft de veiligheid van de als extra kwetsbaar gekwalificeerde [Y.] in gevaar gebracht. Daarmee heeft hij in onaanvaardbare mate afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat in hem gesteld moet kunnen worden. Het getoonde berouw kan niet afdoen aan de ernst van het handelen en maakt niet dat kan worden verlangd dat de minister het dienstverband met hem laat voortduren. De goede staat van dienst van appellant en de ernst van de gevolgen van het strafontslag voor hem leggen naar het oordeel van de Raad niet een zodanig gewicht in de schaal dat gezegd moet worden dat de rechtbank de opgelegde straf niet in stand had mogen laten.

4.2. Omdat de rol die de collega van appellant op 22 februari 2006 heeft gespeeld, onvergelijkbaar is met die van appellant, treft ook de stelling van appellant dat sprake is van een wanverhouding tussen de bestraffing van hem en van zijn collega geen doel.

5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en P.G.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) C. de Blaeij.

HD