Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7205

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-3322 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering dan wel een toeslag en voorzieningen. Van directe betrokkenheid van appellante bij beschietingen vanuit de kampong in kamp Tjihapit is niet gebleken. Ditzelfde geldt voor de vlucht tijdens de Bersiap-periode naar het kamp Tjihapit. De moeder van appellante is tijdig met de kinderen naar het kamp gevlucht. Dat sprake was van een dreigende situatie omdat mensen soms hardhandig uit hun huizen werden gehaald, zoals ook blijkt uit door verweerster geraadpleegde historische gegevens, maakt deze vlucht alleszins begrijpelijk. Dit is echter onvoldoende om als calamiteit als bedoeld in de Wubo te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3322 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 24 april 2009, kenmerk BZ 8919, JZ/R60/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in mei 2008 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering dan wel een toeslag en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 5 januari 2009 afwijzend beslist, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Door appellante zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:

- de vlucht tijdens de Japanse bezetting uit Soerabaja via Batavia naar Bandoeng;

- bombardementen en beschietingen in het zuiden van Bandoeng (appellante woonde aan de Oude Hospitaalweg) tijdens de Bersiap-periode en de vlucht vanwege de gevaarlijke situatie naar het Tjihapitkamp in het Noorden van Bandoeng.

2.2. Verweerster heeft ook in beroep het standpunt gehandhaafd dat niet is komen vast te staan dat de vlucht vanuit Soerabaja via Batavia naar Bandoeng tijdens de Japanse bezetting vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Evenmin is volgens verweerster komen vast te staan dat appellante tijdens de Bersiap-periode direct betrokken is geweest bij een bombardement op het postkantoor aan de Oude Hospitaalweg en dat de vlucht van de Oude Hospitaalweg in Bandoeng naar het Tjihapitkamp in Bandoeng vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.

2.3. De Raad heeft in hetgeen door en namens appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden het door verweerster bij het bestreden besluit ingenomen standpunt in rechte onhoudbaar te achten en overweegt daartoe als volgt.

2.4. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode aan ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indiƫ (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.5. Uit het relaas van appellante en de verklaring van haar zus blijkt niet dat de vlucht naar Bandoeng tijdens de Japanse bezetting plaatsvond vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden, nu geen sprake is geweest van het daadwerkelijk meemaken van beschietingen of aanvallen. Ditzelfde geldt voor de vlucht tijdens de Bersiap-periode naar het kamp Tjihapit. De moeder van appellante is tijdig met de kinderen naar het kamp gevlucht. Dat sprake was van een dreigende situatie omdat mensen soms hardhandig uit hun huizen werden gehaald, zoals ook blijkt uit door verweerster geraadpleegde historische gegevens, maakt deze vlucht alleszins begrijpelijk. Dit is echter onvoldoende om als calamiteit als bedoeld onder 2.4 te worden aangemerkt.

2.6. Van directe betrokkenheid van appellante bij beschietingen vanuit de kampong in kamp Tjihapit is ten slotte niet gebleken, gezien de inhoud van het relaas van appellante en de verklaring van haar zuster.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD