Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-124 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan niet (meer) worden gezegd dat het recht op bijstand van appellante vanaf 1 april 2006 niet kan worden vastgesteld. Appellante beschikte in de hier te beoordelen periode niet over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB. Geen proceskostenveroordeling: Indien appellante de gegevens over haar bankrekening en de woning in Turkije tijdig had verstrekt en niet eerst in hoger beroep, had dit direct tot een juiste besluitvorming door het College kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/124 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 november 2007, 06/11775 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Scheltens, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Namens appellante is mr. Scheltens verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering, werkzaam bij de gemeente Zaandam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 19 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante weer zou samenwonen met haar toenmalige echtgenoot [naam ex-echtgenoot] op het adres [adres 1] te Zaandam is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 1] te Zaandam, zijn met appellante gesprekken gevoerd en is aan appellante verzocht gegevens te overleggen van onder meer een door haar verzwegen mede op haar naam staande bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] over de periode vanaf 18 juli 2005, alle bescheiden inzake de verkoop van de woning op het adres [adres 2] te [A.], alle bescheiden inzake de bezittingen dan wel de verkoop daarvan in Turkije en een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 januari 2006 omtrent voorlopige voorzieningen bij echtscheiding. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 mei 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 30 mei 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2006 in te trekken op de grond dat appellante heeft verzuimd inlichtingen te verstrekken.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2006 tot en met 30 mei 2006.

4.2. Aan het besluit van 16 oktober 2006 ligt ten grondslag dat appellante door het niet overleggen van de bankafschriften van rekeningnummer [bankrekeningnummer] en bescheiden inzake de woning in Turkije de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak kunnen indien het besluit op bezwaar is gebaseerd op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld, tot in hoger beroep en met inachtneming van de goede procesorde nadere stukken worden ingediend teneinde aannemelijk te maken dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. De rechter zal deze stukken dan in zijn beoordeling dienen te betrekken.

4.3. Op basis van de in hoger beroepsprocedure door het College ingediende en in de beoordeling meegenomen nadere stukken en uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht stelt de Raad het volgende vast.

4.4. Bij besluit van 14 juni 2007 is aan appellante met ingang van 9 maart 2007 weer bijstand toegekend, waarbij bij de vaststelling van het vermogen rekening is gehouden met onder meer het negatieve saldo op de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] van in totaal € 12.675,69. De vertegenwoordiger van het College heeft ter zitting naar voren gebracht dat de gevraagde bankafschriften uiteindelijk bij de aanvraag van 9 maart 2007 zijn verstrekt. Hoewel in de onderhavige procedure niet alle afschriften van de bankrekening zijn overgelegd, kan gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting naar voren hebben gebracht worden vastgesteld dat de bankrekening betrekking heeft op een flexibel krediet en dat appellante op deze bankrekening gedurende de periode hier in geding slechts een negatief vermogen had. Dat sprake is van een negatief vermogen op de bankrekening vindt steun in het door appellante overgelegde bankafschrift met volgnummer 5.

4.5. Uit de nader ingediende stukken inzake de woning in Turkije kan worden afgeleid dat appellante op 24 november 2004 voor de helft eigenaar is geworden van een woning in het dorp [naam dorp] in Turkije met een geregistreerde aankoopprijs van € 12.774,89 en dat deze woning op 18 september 2006 is verkocht aan een derde voor een bedrag van (omgerekend) circa. €45.000,--. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de woning te [A.] met een restschuld van ruim € 52.000,-- op 20 maart 2007 is verkocht.

4.6. De Raad stelt vast dat de verkoopdata van de woning in Turkije en te [A.] zijn gelegen ná de hier te beoordelen periode. Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen acht de Raad echter niet aannemelijk dat appellante in die periode per saldo beschikte over vermogen in de vorm van mede-eigendom van beide woningen dat aan bijstandsverlening in de weg stond. Daarbij laat de Raad in het midden of appellante gedurende die periode redelijkerwijs kon beschikken over het in de woning in Turkije gebonden vermogen.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen kan op basis van de thans beschikbare gegevens niet (meer) worden gezegd dat het recht op bijstand van appellante vanaf 1 april 2006 niet kan worden vastgesteld. Appellante beschikte immers in de hier te beoordelen periode niet over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB. Dit leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 1 april 2006 in te trekken.

4.8. Gelet op het voorgaande zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2006 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Mede met het oog op een finale beslechting van dit geschil, zal de Raad met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het besluit van 30 mei 2006 te herroepen.

4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van het College in de proceskosten van appellante. Indien appellante de gegevens over haar bankrekening en de woning in Turkije tijdig had verstrekt en niet eerst in hoger beroep, had dit direct tot een juiste besluitvorming door het College kunnen leiden. Het is dan ook aan appellante zeer te wijten dat zij procedures bij de rechtbank en de Raad heeft moeten voeren. Van kosten die zij in verband met die procedures redelijkerwijs heeft moeten maken is daarom geen sprake.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 oktober 2006;

Herroept het besluit van 30 mei 2006;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en N.M. van Waterschoot en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

AV