Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
08-5988 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. In het ROBIGANA-onderzoek is vastgesteld dat de gegevens van dagbriefjes overeenkwamen met die in de digitale verantwoording. Gelet op het gebleken administratieve proces bij de inlener, is er zonder nadere onderbouwing van appellant geen grond om aan te nemen dat de ten aanzien van hem geregistreerde gegevens niet overeenstemmen met de werkelijk door hem gewerkte uren. In dit verband is van belang dat appellant verklaard heeft dat zijn echtgenote gebruik kon maken van zijn pinpas, en dat dus niet aangetoond is dat hij op de tijdstippen van die transacties niet op de werkvloer van de inlener aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5988 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 september 2008, 08/169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand sinds 3 december 1997, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en sinds 5 januari 2007 naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In 2006 heeft de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) onder de onderzoeksnaam ROBIGANA een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar [naam uitzendbureau] (hierna: het uitzendbureau) te [vestigingsplaats]. In dat kader is op 25 april 2006 een doorzoeking verricht in het bedrijfspand van [naam inlener] (hierna: de inlener) te [vestigingsplaats]. Daarbij zijn manurenstaten (dagbriefjes), digitale verantwoording van gewerkte uren door personeel van het uitzendbureau (invoer van de dagbriefjes), kopieën van identiteitsbewijzen en administratie in beslaggenomen. Volgens een daarvan opgemaakt proces-verbaal van 6 november 2006 is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat het uitzendbureau op grote schaal uitkeringsgerechtigden gebruikte voor het uitvoeren van werkzaamheden voor opdrachtgevers. De door de uitkeringsgerechtigden gewerkte uren werden verantwoord naar het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de Belastingdienst op naam van mensen die waren aangemeld bij het UWV en de Belastingdienst. Volgens de verklaring van één van de vennoten van het uitzendbureau gebruikte hij “zwartwerkers” als hij snel personeel nodig had. Dit waren spoedklussen voor de inlener, waarbij de inlener verzocht 20 tot 40 medewerkers te leveren binnen een aantal uren. Geen enkel uitzendbureau kan op zo korte termijn personeel leveren. Verder verklaarde deze vennoot dat de meeste zwartwerkers een uitkering hadden van het UWV of de Sociale Dienst.

In het onderzoek werd vastgesteld dat alle dagbriefjes van 2003, 2004 en 2005 in de digitale verantwoording waren opgenomen onder de naam van de betrokken uitzendkracht met vermelding van de begintijd, de eindtijd, de rusttijd en netto gewerkte uren. De dagbriefjes werden ingevuld door de machinist op de werkvloer. Bij het onderzoek werden verder in de administratie van de inlener kopieën van identiteitsbewijzen gevonden van 439 uitzendkrachten van het uitzendbureau. 187 van deze uitzendkrachten hadden in de jaren 2003 tot en met 2005 een uitkering genoten.

1.3. De SIOD heeft het College bij brief van 19 oktober 2006 ervan in kennis gesteld dat bij het in 1.2 genoemde onderzoek als uitzendkrachten bij de inlener ingezetenen van de gemeente Leidschendam-Voorburg waren aangetroffen die een uitkering ontvingen. De officier van justitie heeft het College met toepassing van artikel 39f, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens toestemming verleend de resultaten van het onderzoek te gebruiken. Onder die gegevens bevindt zich een kopie van het identiteitsbewijs van appellant en een uittreksel van onder 1.2 genoemde digitale verantwoording. Dat uittreksel omvat 223 dagen met gewerkte uren op naam van appellant vanaf 31 maart 2004 tot en met 31 december 2005. In de periode van 5 oktober 2004 tot en met 27 november 2004 komt de naam van appellant niet in dit uittreksel voor.

1.4. De Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg (hierna: Sociale Recherche) heeft op basis van deze gegevens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd en instanties om informatie gevraagd, is een huisbezoek bij appellant afgelegd, zijn buurtbewoners als getuigen gehoord en is appellant op 11 januari 2007 verhoord. Aan de hand van het paspoort van appellant is vastgesteld dat hij van 5 oktober 2004 tot en met 27 november 2004 in Turkije en Irak heeft verbleven. Tijdens dit verhoor heeft appellant ontkend ooit in Nederland te hebben gewerkt. Hij heeft verklaard dat hij bij het uitzendbureau gevraagd heeft of zij werk voor hem hadden en dat bij die gelegenheid een kopie is gemaakt van zijn identiteitsbewijs. Hij heeft verder verklaard ongeveer zes maanden geleden één dag twee uur te hebben gewerkt voor het uitzendbureau zonder dat hij er geld voor kreeg. Hij moest meelopen bij een bedrijf in fruit om te kijken wat er moest gebeuren. Iemand anders zou met een kopie van zijn paspoort daar gewerkt hebben. Hij heeft ook nog verklaard dat naast hem alleen zijn vrouw gebruik maakt van zijn pinpas. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in rapport van 22 januari 2007.

1.5. De resultaten van het onder 1.4 genoemd onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 februari 2007 de bijstand van appellant over de periode van 31 maart 2004 tot en met 30 december 2005 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.316,-- terug te vorderen op de grond dat appellant in die periode inkomsten uit arbeid heeft gehad en hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het College.

1.6. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft appellant meegedeeld te proberen om van de inlener de bevestiging te krijgen dat hij daar nooit gewerkt heeft. Verder heeft appellant in bezwaar gesteld dat de directeur/eigenaar van het uitzendbureau familie van hem is en dat het uitzendbureau mogelijk een kopie van zijn rijbewijs heeft omdat hij wel eens een bedrijfsauto wilde lenen voor eigen gebruik en dat hij inmiddels aangifte heeft gedaan van misbruik van zijn persoonsgegevens.

1.7. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het College het besluit van 2 februari 2007 ingetrokken op de grond dat de vordering op onjuiste wijze was vastgesteld. De bijstand is bij dat besluit herzien over de periode vanaf 1 maart 2004 tot en met 31 december 2005 op de grond dat appellant regelmatig betaalde arbeid heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt, en voorts op de grond dat hij geen mededeling heeft gedaan van zijn vakantie in oktober en november 2004 en dat hij over het tijdvak 2 november 2004 tot en met 27 november 2004 langer dan de toegestane periode buiten Nederland is geweest. De terugvordering is bepaald op € 21.399,82 bruto, onder meer aan hand van het onder 1.3 genoemde uittreksel van de digitale verantwoording van gewerkte uren. Daarbij is, om het resterende recht op bijstand te kunnen vaststellen, onder meer rekening gehouden met het aantal uren op naam van appellant per maand en het minimumloon dat hij daarvoor ten minste had kunnen bedingen.

1.8. In het kader van een getuigenverhoor in opdracht van de officier van justitie betreffende appellant is op 14 augustus 2007 gehoord H.E. Elbasioglu (hierna: getuige 1), administratief medewerker bij de inlener, aan wie de foto van appellant werd voorgehouden. Zij verklaarde tegenover twee ambtenaren van de Sociale Recherche: “De man op deze foto herken ik als iemand die hier gewerkt heeft. Dit is dhr. [naam appellant]. […] Ik had direct te maken met de mensen van de werkvloer dus ook met de werknemers van [het uitzendbureau] [Naam appellant] heeft hier zeker gewerkt.” Op 20 augustus 2007 werd door dezelfde ambtenaren [getuige 2] (hierna: getuige 2) als getuige gehoord. Hij verklaarde: “Ik ben administratief medewerker en ik houd mij bezig met identiteitsbewijzen en met de mensen van de werkvloer. […]. U toont mij een foto van dhr [naam appellant], die herken ik ze noemde hem opa omdat hij wat ouder was.” Van deze verklaringen zijn processen-verbaal gemaakt die door de getuigen en de ambtenaren zijn ondertekend.

1.9. Bij besluit van 5 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2007 en van 17 juli 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 2 februari 2007 herroepen wat betreft de hoogte van de terugvordering, en de terugvordering bepaald op € 21.399,82 bruto over de periode 31 maart 2004 tot en met 31 december 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant blijft bij zijn stelling dat hij niet voor het uitzendbureau gewerkt heeft bij de inlener.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is slechts in geschil of appellant in de periode van 31 maart 2004 tot en met 31 december 2005 betaalde werkzaamheden heeft verricht bij de inlener overeenkomstig het in 1.3 genoemde uittreksel van de digitale urenverantwoording van de inlener. Nu de herziening en terugvordering belastende besluiten betreffen, is het aan het College om aannemelijk te maken dat appellant overeenkomstig de gegevens in dat uittreksel betaalde werkzaamheden heeft verricht.

4.2. Appellant stelt dat niet hij, maar iemand anders met zijn identiteit heeft gewerkt bij de inlener. Daarmee is niet in geschil dat het uitzendbureau en de inlener uitzendkrachten inzetten op de wijze die in het ROBIGANA-onderzoek is blootgelegd. Evenmin is in geschil dat in de administratie van de inlener dagbriefjes zijn aangetroffen met de naam van appellant die op de werkvloer zijn gemaakt en dat van die dagbriefjes een digitaal bestand is aangelegd. Ook heeft appellant niet bestreden dat de door de Sociale Dienst gehoorde getuigen daadwerkelijk bij de inlener als administratief medewerker hebben gewerkt, daar dagbriefjes hebben verwerkt en daarover en over de identiteit van uitzendkrachten contacten hadden met de werkvloer.

4.3. Gelet op het administratieve proces bij de inlener, waarbij het gebruik van de voor- en achternaam van appellant op de werkvloer noodzakelijk was en waarbij zijn op zijn leeftijd gestoelde bijnaam in omloop was, is de Raad van oordeel dat met de positieve identificatie van appellant als iemand die op de werkvloer rondliep door de twee als getuigen gehoorde administratieve krachten van de inlener aannemelijk is gemaakt dat appellant werkzaamheden heeft verricht bij de inlener. Dit wordt versterkt door het ontbreken van gewerkte uren op naam van appellant juist in de periode dat hij aantoonbaar niet in Nederland was.

4.4. Appellant voert aan dat in de tegen hem gevoerde strafrechtelijke procedure getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris. Op basis van de verklaringen van deze getuigen heeft de politierechter appellant vrijgesproken van fraude. Het openbaar ministerie heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

4.5. De omstandigheid dat de strafrechter appellant van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad geen afbreuk aan wat onder 4.3 is overwogen. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.6. Uit de verklaringen, die de eerder genoemde getuigen op 8 september 2008 bij de rechter-commissaris hebben afgelegd en die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, volgt niet dat aan hun eerdere verklaringen geen waarde toekomt, noch dat appellant niet gewerkt heeft bij de inlener. Integendeel, getuige 1 verklaart bij de rechter-commissaris dat zij bij het verhoor op 14 augustus 2007 naar waarheid heeft verklaard, dat zij de naam en het gezicht van appellant nog steeds herkent respectievelijk van de werkvloer en uit de administratie. Zij weet zich echter niet te herinneren of dit gezicht bij deze naam hoort. Getuige 2 heeft bij de rechter-commissaris ook bevestigd dat hij appellant van gezicht kende - hij zag appellant wekelijks -, maar niet van naam. Wel kende hij de bijnaam van appellant, die heel gebruikelijk was en die hij ook van getuige 1 geleerd had, omdat die bijnaam op de dagbriefjes stond. Daarmee moet naar het oordeel van de Raad uitgesloten worden geacht dat een ander de werkzaamheden heeft verricht die door de inlener op naam van appellant zijn geadministreerd.

4.7. Appellant betoogt verder dat digitale verantwoording van gewerkte uren onbetrouwbaar is, omdat de inlener en het uitzendbureau op grote schaal fraudeerden. Met opzet zouden ook geen werkzaamheden zijn geregistreerd op zijn naam in de periode oktober en november 2004, omdat het uitzendbureau wist dat appellant niet in Nederland was. Het overzicht kan ten aanzien van hem niet kloppen, omdat wel tot 12 uur werkzaamheden per dag zijn geregistreerd, en hij in verband met zijn gezondheid niet zolang kan werken. Voorts zijn er werkzaamheden geregistreerd op tijdstippen, waarop hij, gelet op zijn pinopnames, niet bij de inlener werkzaam was.

4.8. Deze onder 4.7 genoemde stellingen van appellant treffen naar het oordeel van de Raad geen doel. In het ROBIGANA-onderzoek is vastgesteld dat de gegevens van dagbriefjes overeenkwamen met die in de digitale verantwoording. Gelet op het gebleken administratieve proces bij de inlener, is er zonder nadere onderbouwing van appellant geen grond om aan te nemen dat de ten aanzien van hem geregistreerde gegevens niet overeenstemmen met de werkelijk door hem gewerkte uren. In dit verband is van belang dat appellant verklaard heeft dat zijn echtgenote gebruik kon maken van zijn pinpas, en dat dus niet aangetoond is dat hij op de tijdstippen van die transacties niet op de werkvloer van de inlener aanwezig was. De door appellant overgelegde verklaring van zijn huisarts ziet niet op de periode in geding, en kan reeds daarom niet ter onderbouwing van appellants stelling dienen. De overige stellingen van appellant behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling meer.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

AV