Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
09-4987 WUV + 09-4986 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing samenloopaanvraag om toekenning van een uitkering als vervolgde in de zin van de Wuv dan wel als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Op grond van de gegevens is de Raad niet gebleken dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Met betrekking tot de Wuv is niet gebleken van direct tegen appellant gerichte handelingen of maatregelen van de Duitse bezettende macht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4987 WUV + 09/4986 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1) en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 2)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster 1 onder dagtekening 28 mei 2009, kenmerk BZ 48413, JZ/B60/2009 ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv). Tevens heeft appellant beroep ingesteld tegen een door verweerster 2 onder dagtekening 28 mei 2009, kenmerk BZ 8971, JZ/B60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweersters hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1924, heeft in augustus 2007 bij verweersters een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een uitkering als vervolgde in de zin van de Wuv dan wel als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo.

In dit verband heeft appellant naar voren gebracht dat hij het Duitse bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam heeft meegemaakt, dat hij rond 1942 naar Oldenzaal is gevlucht om zich aan tewerkstelling te onttrekken maar alsnog werd gearresteerd en gedwongen werd te werken in een parachutefabriek te Gronau. Nadien heeft hij bij zijn terugkeer naar Nederland beschietingen in Duitsland en bij de bevrijdingsfeesten op 7 mei 1945 beschietingen in Amsterdam meegemaakt, aldus appellant.

1.2. Verweerster 1 heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 26 november 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat van de gestelde arrestatie, gevangenschap en tewerkstelling in Gronau geen bevestiging is verkregen. Verweerster 2 heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van eveneens 26 november 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kunnen standhouden en overweegt als volgt.

Ten aanzien van de Wuv

2.1. In artikel 2 van de Wuv is bepaald dat, voor zover hier van belang, onder vervolging wordt verstaan iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland bezettende macht werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving of onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

2.2. Naar aanleiding van het door verweerster ingesteld - zorgvuldig te noemen - onderzoek is onder meer informatie ontvangen van het Nederlands Rode Kruis, de International Tracing Service van het Internationale Rode Kruis, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, het Stadtarchiv Gronau, het Stadsarchief Amsterdam en de (half) zuster van appellant, [naam halfzuster]. Op grond van deze gegevens moet de Raad evenals verweerster vaststellen dat van de gestelde arrestatie/gevangenschap en tewerkstelling geen bevestiging is verkregen. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Dergelijke gegevens ontbreken. Weliswaar heeft de zuster van appellant een verklaring ingediend maar die verklaring kan niet een doorslaggevende rol spelen, nu die verklaring niet berust op eigen waarneming.

Ten aanzien van de Wubo

2.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgs-verrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht of ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door of namens de vijandelijke bezettende macht.

2.4. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad ook niet gebleken dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals is aangegeven onder 2.2 met betrekking tot de Wuv, niet is gebleken van direct tegen appellant gerichte handelingen of maatregelen van de Duitse bezettende macht.

2.5. Vervolgens is de Raad niet gebleken dat appellant bij het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals vereist op grond van artikel 2 van de Wubo. Voor een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang de afstand tussen appellant en de inslagen en explosies, de plaats waar hij zich bevond ten tijde van de inslagen, de aard van de schuilplaats, de materiƫle schade in de directe omgeving en de vraag of hij zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of omkomen van naasten. Appellant heeft verklaard dat er een waarschuwing is geweest voor het bombardement, men tijdig de woning heeft verlaten en dat hij heeft gezien dat het betreffende stadsdeel in lichterlaaie stond. Hieruit blijkt niet van directe betrokkenheid als hiervoor bedoeld.

2.6. Voor wat betreft het meemaken van beschietingen tijdens zijn terugtocht naar Nederland en tijdens de bevrijdingsfeesten in Amsterdam onderschrijft de Raad het standpunt van verweerster dat van deze gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring van appellant, geen bevestiging is verkregen. Ook hier geldt hetgeen onder 2.2 is overwogen, inhoudende dat een gebeurtenis niet op basis van alleen een eigen verklaring kan worden aanvaard.

3. Gezien het voorgaande moet de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend worden beantwoord en dienen de beroepen van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD