Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-4591 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1) Weigering vergoeding voor extra kledingslijtage verhogen. besluit vernietigd gezien nieuwe besluit. 2) Naar aanleiding van de zijde van de Raad gestelde vragen is nieuw besluit genomen, inhoudende verhoging naar 1,5 keer het normbedrag. Met de verhoging tot 1,5 keer het normbedrag is in voldoende mate rekening gehouden met de individuele omstandigheden van appellant, namelijk enige extra slijtage aan broek(en), veroorzaakt door het fietsen en enige extra slijtage door het gebruik van het gebit bij het aantrekken van kleding. beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4591 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 4 juli 2008, kenmerk BZ 8320, JZ/L80/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Het onderzoek is geschorst en er zijn nadere vragen gesteld aan verweerster.

Bij brief van 19 januari 2010 heeft verweerster die vragen beantwoord en een nader standpunt ingenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 8 april 2010, waar appellant is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 5 juni 1945 aangereden door een militair voertuig en ernstig gewond geraakt. Zijn rechter bovenarm is vervolgens geamputeerd. Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag van mei 1988 aangemerkt als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig met ingang van 1 mei 1988 in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering en een toeslag op grond van de Wubo. De klachten van appellant als gevolg van de bovenarmamputatie, zijn gebitsklachten en psychische klachten zijn geacht in verband te staan met het door hem meegemaakte oorlogsgeweld.

1.2. In mei 2001 heeft appellant bij verweerster onder meer een aanvraag ingediend voor vergoeding van kleding wegens extra slijtage, veroorzaakt door zijn armprothese. Bij besluit van 22 februari 2002 is aan appellant een vergoeding toegekend van € 15,10 per maand voor extra kledingslijtage ten gevolge van het dragen van een prothese. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 april 2002 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat er geen reden is om af te wijken van het voor extra kledingslijtage geldende normbedrag.

1.3. Bij brief van 14 januari 2008 heeft appellant aan verweerster onder meer verzocht de vergoeding voor extra kledingslijtage te verhogen. Hierop heeft verweerster bij besluit van 25 februari 2008 afwijzend beslist op de grond dat er geen reden is om af te wijken van het normbedrag van (inmiddels) € 15,26 per maand. Deze afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting van 15 oktober 2009 en de van de zijde van de Raad gestelde vragen heeft verweerster een nader standpunt ingenomen en is meegedeeld dat verweerster heeft besloten de vergoeding voor extra kledingslijtage in verband met de armprothese te verhogen naar 1,5 keer het normbedrag, inmiddels € 22,97 per maand. Gezien deze nadere standpuntbepaling dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

2.2. Nu met het nadere besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan het beroep, wordt het beroep met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

2.3. De Raad ziet geen aanleiding om dit nadere besluit van verweerster in rechte onhoudbaar te achten. Dat in beginsel wordt uitgegaan van een vast normbedrag, passend bij de aard en omvang van de handicap, acht de Raad acceptabel. Met de verhoging tot 1,5 keer het normbedrag is naar het oordeel van de Raad in voldoende mate rekening gehouden met de individuele omstandigheden van appellant, namelijk enige extra slijtage aan broek(en), veroorzaakt door het fietsen en enige extra slijtage door het gebruik van het gebit bij het aantrekken van kleding.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant tegen het nadere besluit van verweerster, zoals meegedeeld bij schrijven van 19 januari 2010, ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 65,- aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van verweerster van 4 juli 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het onder 2.1 genoemde nadere besluit van verweerster ongegrond;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 65,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD