Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
08-6508 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om als vervolgde in de zin van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.De Raad acht doorslaggevend dat de twee (oudere) zusters en een (jongere) broer van appellant in de door hun afgegeven verklaringen geen melding hebben gemaakt van een internering. Verder is de Raad uit deze gegevens niet gebleken dat er in het dorp Miei sprake is geweest van een interneringssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6508 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 9 oktober 2008, kenmerk BZ 47721, JZ/F60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2010. Appellant is daar verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1939, heeft in juni 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië vrijheidsberoving heeft ondergaan in Miei op Nieuw-Guinea.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 27 maart 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt.

2.1. In artikel 2 van de Wuv is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

2.2. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheids-beroving, als hiervoor onder 2.1 bedoeld, heeft ondergaan. De Raad acht hierbij doorslaggevend dat de twee (oudere) zusters en een (jongere) broer van appellant in de door hun afgegeven verklaringen geen melding hebben gemaakt van een internering. Verder is de Raad uit deze gegevens niet gebleken dat er in het dorp Miei sprake is geweest van een interneringssituatie. Hierbij neemt hij in aanmerking dat uit het de aanvraag begeleidend sociaal rapport naar voren komt dat Miei wel kon worden verlaten, zij het met toestemming van de Japanse bewakers. Dit duidt op een bewegingsvrijheid die zich niet verdraagt met de in artikel 2 van de Wuv vereiste permanente bewaking.

3. Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord zodat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD