Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
09-3332 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering (80% of meer) en per 23 augustus 2007 25 tot 35%. Juiste medische beoordeling (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad ziet geen aanleiding om het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Ten aanzien van de voorgehouden functies van productiemedewerker textiel (SBC-code 272043); sorteerder (SBC-code 111340) en productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) is de Raad met de rechtbank van oordeel dat afdoende is toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3332 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 mei 2009, 07/1562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellante is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van door appellante in te dienen stukken.

Bij schrijven van 12 januari 2010 heeft appellante de Raad een rapportage toegezonden van dr. H.H. Wessels, klinisch psycholoog, van 7 januari 2010.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met de brief van 22 januari 2010, met als bijlage het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 januari 2010.

Vervolgens is het onderzoek hervat ter zitting van 26 april 2010.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante beƫindigd per 9 april 2007 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2007 heeft het Uwv het door appellante ingestelde bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de WAO-uitkering vanaf 9 april 2007 ongewijzigd wordt vastgesteld, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, en voorts dat de WAO-uitkering per 23 augustus 2007 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 augustus 2007 ingediende beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat zij, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 februari 2009, geen aanleiding ziet om de medische beoordeling onzorgvuldig of onjuist te achten. Voorts is zij van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige afdoende heeft toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht om de voorgehouden functies te verrichten.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar in eerste aanleg overgelegde scan van de Rugpoli. Zij acht het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig. Voorts heeft zij een rapportage ingediend van dr. H.H. Wessels, klinisch psycholoog, van 7 januari 2010, waaruit blijkt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor ADHD-problematiek bij appellante voor wat betreft het cognitief functioneren. Wel zijn er naar zijn mening aanwijzingen voor de aanwezigheid van lichte ADD-problematiek aanwezig.

2.2. Het Uwv heeft bij rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 januari 2010 toegelicht dat de rapportage van Wessels, voornoemd, en het bijgevoegde Resultatenformulier specialistisch onderzoek geen aanleiding geven tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) omdat reeds beperkingen zijn aangenomen in rubrieken I en II van de FML. Ten aanzien van concentreren en verdelen van de aandacht zijn terecht geen beperkingen opgenomen, nu uit de rapportage blijkt dat sprake is van een goede volgehouden aandachtsfunctie en goede verdeelde aandachtsfunctie en een gemiddelde mate van afleidbaarheid. De voorgehouden functies kennen eenvoudige, gestructureerde, bekende en routinematige werkzaamheden, hetgeen passend is voor appellante.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Wat betreft de rugscan is de Raad, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 februari 2009, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts wel degelijk de diagnose van de Rugpoli van 4 februari 2008 heeft beoordeeld en meegewogen. De Raad ziet geen aanleiding om het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts E. Vastert onzorgvuldig te achten. Wat betreft de in hoger beroep ingediende informatie van klinisch psycholoog Wessels ziet de Raad geen aanleiding tot twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in diens rapportage van 21 januari 2010.

3.2. Ten aanzien van de voorgehouden functies van productiemedewerker textiel (SBC-code 272043); sorteerder (SBC-code 111340) en productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) is de Raad met de rechtbank van oordeel dat afdoende is toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te verrichten, gelet op haar functionele mogelijkheden, zoals deze zijn vastgesteld bij de FML van 5 februari 2009.

3.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EK