Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
09-4025 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Maatmaninkomen juist vastgesteld. Onvoldoende arbeidskundige grondslag. vIn FML is als beperking opgenomen: “kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren”. De functie telefonist/receptionist is in verband met het omgaan met agressieve en onredelijke mensen niet geschikt. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4025 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2009, 08/1417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij rapportages van de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij van 28 augustus 2009 en van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 7 september 2009 zijn overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Namens appellant is mr. Bovenkamp verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv het in geding zijnde besluit nader toegelicht, waarop appellant heeft gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren 22 november 1970, is laatstelijk sedert 10 oktober 2005 gedurende 20 uur per week werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 1 maart 2007 heeft hij bij het Uwv een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong ingediend, waarbij hij -onder meer- heeft aangegeven voor zijn zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt te zijn.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant op 26 april 2007 onderzocht door de verzekeringsarts K. Lemmers, die heeft geconstateerd dat appellant als gevolg van lymfoedeem aan het linkerbeen lichamelijke en psychische beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2007. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige D. Noten met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 25%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 31 juli 2007 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 22 november 1988, de dag dat hij achttien jaar is geworden, geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet.

1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij op basis van dossierstudie en eigen onderzoek geconcludeerd dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant en dat er geen aanleiding is tot herziening van de medische grondslag waarop het besluit van 31 juli 2007 is genomen. De bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris heeft in zijn rapportage van 26 juni 2008 eveneens aangegeven dat er op arbeidskundige gronden geen reden is de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te herzien. Onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2007 bij besluit van 18 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische component van de arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling heeft de rechtbank overwogen dat naar haar oordeel sprake was van een zorgvuldig medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant, waaruit is geconcludeerd dat het Uwv de mogelijkheden en beperkingen van appellant op de datum hier in geding juist en zorgvuldig heeft vastgesteld. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige bij raadpleging van het CBBS terecht is uitgegaan van 1 maart 2006, zijnde de datum één jaar voor de schriftelijke aanvraag, en dat genoegzaam is toegelicht waarom appellant geschikt wordt geacht voor de aan hem voorgehouden functies. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht vastgesteld dat appellant geen aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat het berekend verlies aan verdienvermogen minder dan 25% bedraagt.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat deze aanzienlijk ernstiger zijn dan in de FML geformuleerd, met name op de items zitten, zitten tijdens het werk, staan, staan tijdens het werk, lopen en lopen tijdens het werk. Voorts heeft hij gesteld dat is uitgegaan van een onjuist maatmanloon en dat de geduide functies telefonist/receptionist en electronicamonteur niet passend zijn, omdat daarin zijn belastbaarheid wordt overschreden.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In de rapportages wordt daarbij inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant in staat wordt geacht de genoemde functies uit te oefenen. Met betrekking tot het door appellant genoemde item ‘zitten’ blijkt dat bij de geduide functies electronicamonteur, telefonist/receptionist en administrateur een ruime marge in acht is genomen. Aaneengesloten zitten komt respectievelijk een half uur tot drie kwartier, drie kwartier tot een uur en een half tot een heel uur voor, zodat geen sprake is van overschrijding van de toegestane belastbaarheid. Volgens de Raad kan uit de voorhanden medische gegevens niet worden afgeleid dat de medische beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. Nu in hoger beroep door appellant geen andersluidende medische informatie is overgelegd, ziet de Raad onvoldoende grond om het standpunt van appellant te volgen.

4.2. Wat betreft de hoogte van het maatmanloon heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 30 juli 2007 aangegeven dat hij is uitgegaan van het minimumloon van een 23-jarige (november 1993), hetgeen is geïndexeerd naar het moment van beoordeling in 2007. In de aanvullende rapportage van 7 september 2009 van bezwaararbeidsdeskundige Saris is toegelicht dat uitgegaan dient te worden van 1 maart 2006 (een jaar voor de datum van de aanvraag). Naar het oordeel van de Raad is het Uwv daarmee uitgegaan van de juiste wijze van berekening, zodat de hiertegen gerichte grond van appellant niet kan slagen.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen in hun rapportages van 30 juli 2007 en 26 juni 2008 hebben toegelicht waarom de op basis van het CBBS geselecteerde functies electronicamonteur (sbc-code 267040) administratief medewerker (beginnend) (sbc-code 315090) en telefonist/receptionist (sbc-code 315120) voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt worden geacht. Op de bedenkingen van appellant tegen de functie telefonist/receptionist in verband met het omgaan met agressieve en onredelijke mensen heeft de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd in zijn rapportage van 7 september 2009 en aangegeven dat hiervan alleen sprake is bij telefonisch of schriftelijk contact en dat hiervoor geen beperking is opgenomen in geval klanten aan de balie te woord worden gestaan. In dit verband overweegt de Raad dat in het resultaat functiebeoordeling bij de omschrijving van de aan appellant voorgehouden functie telefonist/receptionist is vermeld dat de taken voor 20% bestaan uit het ontvangen van bezoekers aan de balie. Bij de belasting staat onder aspect 2.8.1 vermeld dat in een telefonisch of schriftelijk contact omgegaan moet worden met agressieve en onredelijke mensen. Aan de telefoon gaat het dan om ongeduldige klanten bij wachttijd, hetgeen ongeveer één keer per maand voorkomt. Onder aspect 2.12.1 staat vermeld dat klanten te woord worden gestaan, zowel telefonisch als aan de balie. Op verzoek van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een rapportage van 19 maart 2010 nader gereageerd op het standpunt van appellant dat deze functie voor hem niet passend is, omdat vanwege baliewerk ook sprake is van persoonlijk contact met eventuele agressieve klanten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarbij aangegeven dat van conflicthantering in een face-to-face contact geen sprake is. In geval van een calamiteit of conflict aan de balie is de functionaris niet de eerst aangewezene is om het conflict op te lossen, maar zal de telefonist/receptionist direct door kunnen verwijzen naar de beveiligingsmedewerker die bij de balie aanwezig is. De Raad kan het Uwv in dat standpunt niet volgen, nu uit het resultaat functiebeoordeling niet blijkt dat een beveiligingsmedewerker bij de balie aanwezig is terwijl het eerste contact -waarbij van een conflict blijkt- met de telefonist/receptionist plaatsvindt. Daarna zou deze functionaris alsnog in staat moeten worden geacht adequaat te reageren en de beveiliging te waarschuwen, hetgeen voor appellant nu juist volgens de FML niet mogelijk is: “kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren”. Mitsdien kan de functie telefonist/receptionist naar het oordeel van de Raad niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd en kan het bestreden besluit om die reden geen stand houden.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog gegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

TM