Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
10-358 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Uwv is alsnog geheel aan bezwaar van appellante tegemoet gekomen. Wettelijke rente. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/358 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2009, 09/2090 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een nadere beslissing op bezwaar van 30 maart 2010 gevoegd. Bij dat besluit van 30 maart 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard. Haar uitkering blijft op en na 26 oktober 2008 gehandhaafd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens zijn de in bezwaar gemaakte kosten vergoed.

De gemachtigde van appellante heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, de betaalde griffierechten, de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en de kosten in verband met het opvragen van medische inlichtingen bij de huisarts en de kosten van de medisch adviseur.

Het Uwv heeft hiertegen een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 april 2010 heeft gemachtigde van appellante een reactie op het verweerschrift gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 oktober 2008 ingetrokken. Bij besluit van 8 september 2008 heeft het Uwv de re-integratievisie van appellante vastgesteld.

1.2. Het bezwaar van appellante tegen deze primaire besluiten is bij besluit van 19 juni 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het besluit van 8 september 2009 is gehandhaafd, heeft appellante ingetrokken.

2. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv het besluit van 30 maart 2010 genomen.

3.1. Nu de uitkering van appellante op en na 26 oktober 2008 gehandhaafd blijft naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en tevens de in bezwaar gemaakte kosten van appellante zijn vergoed, is het Uwv naar het oordeel van de Raad volledig aan appellante tegemoet gekomen. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit beroep derhalve niet mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 30 maart 2010.

3.2. Nu appellante een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, heeft zij, ofschoon het bestreden besluit is ingetrokken en inmiddels volledig is tegemoetgekomen aan haar beroep, belang behouden bij handhaving van het hoger beroep.

3.3. Nu vaststaat dat bij het bestreden besluit de WAO-uitkering van appellante ten onrechte is ingetrokken, zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen.

3.4. Ingevolge de jurisprudentie van de Raad dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante verschuldigde wettelijke rente over de na te betalen uitkering in verband met de vernietiging van het bestreden besluit dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

4.1. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

4.2. Aangezien het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding van de in beroep en in hoger beroep door appellante gemaakte proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 37,80 voor het opvragen van medische informatie en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal een bedrag groot € 1.003,80. De kosten betreffende de rapportage van het Instituut Psychosofia komen; de Raad verwijst daarvoor naar zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 15 mei 2007, LJN BA5367) niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover betrekking hebbende op het besluit van 25 augustus 2008;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.003,80;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

EK