Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
09-335 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Verzekeringsgeneeskundige protocol CVS nog niet van toepassing gezien datum aanvraag. Geen aanleiding om meer en/of ernstiger fysieke beperkingen in FML op te nemen. De belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies gaat de belastbaarheid van appellante niet te boven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/335 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 december 2008, 08/1275 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

K. van Zuthem - Bouwer heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010.

Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is geboren [in] 1990 en heeft in maart 2007 een WAJONG-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 7 december 2007 is die aanvraag afgewezen onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 22 januari 2008 minder dan 25% bedraagt en bij besluit van 14 april 2008 is haar bezwaar tegen het besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en voorts bepaald dat aan appellante het griffierecht wordt vergoed. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

2.2. Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit artikel luidt per 3 augustus 2007, behoefde de medische beoordeling niet te worden gedaan met gebruikmaking van het per 1 januari 2008 geldende Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom), immers, de WAJONG-aanvraag is ingediend in maart 2007.

Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en in de FML van 31 oktober 2007 vastgelegde medische beperkingen, in aanmerking genomen dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de verzekeringsarts inzichtelijk en gemotiveerd zijn vastgelegd.

In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts die bevindingen onderschreven, waarbij rekening is gehouden met de door appellante overgelegde informatie van de kinderarts en Clientfirst. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de verzekeringsarts appellante op het psychische en locomotore vlak vrij sterk beperkt heeft geacht en dat in voldoende mate rekening is gehouden met enerzijds de klachten en anderzijds de geobjectiveerde afwijkingen.

In de beroepsfase heeft een (andere) bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de door appellante overgelegde informatie van de huisarts, neuroloog, revalidatiearts, kinderarts en psycholoog en opgemerkt dat volgens de revalidatiearts het activiteitenniveau fors is toegenomen als gevolg van een poliklinische revalidatiebehandeling.

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De door appellante overgelegde informatie deels van na de datum in geding en deels van algemene aard maakt dat niet anders.

2.3. Appellante moet in staat worden geacht tot vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Echter, omdat eerst in de beroepsfase naar behoren is gemotiveerd dat dat het geval is (er was sprake van in de FML verstopte beperkingen), heeft de rechtbank beslist als in 2.1 vermeld.

3. In hoger beroep (uitsluitend wat het geheel in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit betreft) heeft appellante in essentie herhaald hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd.

Voorts heeft zij onder meer een op haar betrekking hebbende brief van het CVS/ME Centrum Amsterdam van 14 juli 2009 ingebracht. Tevens heeft zij gesteld dat bij de beoordeling per 22 januari 2008 ten onrechte het per 1 januari 2008 in werking getreden Verzekeringsgeneeskundige protocol CVS niet is toegepast. Ook heeft zij fibromyalgie. Ten onrechte is in de FML niet ook een volledige urenbeperking opgenomen.

4. Het Uwv heeft in verweer onder verwijzing naar vier rapporten van een bezwaarverzekeringsarts gesteld in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding te zien tot wijziging van zijn standpunt.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. Hetgeen appellante in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, vormt onvoldoende aanleiding om te komen tot een ander oordeel.

Wat het Verzekeringsgeneeskundige protocol CVS betreft heeft appellant weliswaar gesteld dat het ten onrechte niet is toegepast, maar zij heeft niet aangegeven waarop zij haar mening baseert dat de overweging van de rechtbank met betrekking tot artikel 3, tweede lid, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten niet juist is. Die bepaling houdt in dat het desbetreffende protocol alleen wordt toegepast indien de WAJONG-aanvraag is ontvangen na 1 januari 2008. Daargelaten kan worden of gebruikmaking van dat protocol tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Uiteraard had het appellante vrij gestaan om op een later tijdstip een WAJONG-uitkering aan te vragen, maar die vrijheid kan in het thans aanhangige geval niet van invloed zijn.

De conclusie van het CVS/ME Centrum Amsterdam in de door appellante ingebrachte brief van 14 juli 2009 houdt in dat de moeheid niet lijkt te worden veroorzaakt door een insufficiƫnte ATP productie, omdat de fysieke inspanningscapaciteit normaal is (en dat het onderzoek wordt voortgezet). Die conclusie wijst niet in de richting van de door appellante bepleite urenbeperking en duidt er niet op dat overigens in de FML (waarin de verzekeringsarts op het psychische en locomotore vlak al vrij sterke beperkingen had opgenomen) per 22 januari 2008 meer en/of ernstiger fysieke beperkingen hadden moeten worden opgenomen.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de op 31 oktober 2007 vastgestelde en sedertdien niet aangepaste FML is de Raad van oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Het Uwv heeft zijn standpunt dienaangaande afdoende gemotiveerd. Aangezien dat eerst in de beroepsfase is geschied, heeft de rechtbank niet ten onrechte besloten tot hetgeen in 2.1 is vermeld.

6. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voor zover aangevochten.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

JL