Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
08-4936 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante leeft gescheiden van haar echtgenoot. Bij huisbezoek wordt een algehele notariële volmacht aangetroffen. Opschorting en intrekking bijstand: niet overleggen van de gevraagde gegevens omtrent de volmacht. Het College was bevoegd de bijstand op te schorten en onderzoek (te laten) doen naar de volmacht. De Raad: Het geven van een volmacht aan een kind, dat in een ander land woont is op zichzelf geen feit waarvan betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op bijstand. De omstandigheid dat het hier een zeer ruim geformuleerde volmacht betreft en dat deze is gegeven tezamen met de echtgenoot van wie de betrokkene gescheiden leeft, maakt dit niet anders. Geen schending inlichtingenverplichting. De omstandigheid dat de echtgenoot mogelijk wel vermogen had in Suriname, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College heeft geen onderzoek gedaan naar het huwelijksgoederenregime

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/177
JWWB 2010/182
USZ 2010/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4936 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2008, 07/2703 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Jankie, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jankie. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Klinge, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is gehuwd met J. [B.] (hierna: [B.]). Volgens haar opgave leeft zij sinds april 1994 gescheiden van haar echtgenoot. Appellante ontving vanaf 1 oktober 1990 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante met haar echtgenoot zou samenwonen hebben ambtenaren van de afdeling Bijzonder Rechtmatigheidsonderzoek (hierna: BRO) op 13 december 2006 een huisbezoek afgelegd bij appellante. Daarbij is aangetroffen een algehele notariële volmacht, die [B.] en appellante gezamenlijk op 15 juli 2006 aan hun in Suriname verblijvende zoon hebben gegeven.

1.3. Appellante is desgevraagd op 20 december 2006 op het districtskantoor van de afdeling BRO verschenen met deze volmacht. Appellante heeft verklaard dat deze volmacht is gegeven in verband met een vuurwapen, dat een erfstuk is en op naam staat van [B.]. De volmacht is nodig om de zoon in staat te stellen dit wapen in bezit te houden. Appellante heeft daarnaast verklaard dat de volmacht nodig is om de zoon in staat te stellen een wapen aan te schaffen teneinde zich, in zijn hoedanigheid van, te kunnen verdedigen.

1.4. Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het College het recht op bijstand van appellante opgeschort. Daarbij heeft het College overwogen dat niet aannemelijk is dat de volmacht is verleend om een wapenvergunning te verkrijgen en de redenen voor het verlenen van deze zeer ruime volmacht essentieel zijn voor de vraag of appellante nog verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellante is in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 15 februari 2007 met controleerbare en verifieerbare gegevens te onderbouwen waarom de volmacht werd verleend en op welke wijze de zoon daarvan gebruik heeft gemaakt. Verder heeft het College toestemming gevraagd van appellante om bij de notaris relevante gegevens op te vragen omtrent deze volmacht. Appellante heeft deze toestemming gegeven; het College heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

1.5. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 15 juli 2006 op de grond dat appellante de gevraagde gegevens omtrent de volmacht niet had verstrekt.

1.6. Naar aanleiding van een anonieme tip, inhoudende dat appellante en [B.] in het buitenland vermogen zouden hebben, en de onder 1.2 genoemde volmacht heeft het College het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Internationaal Bureau) gevraagd een onderzoek in te stellen. Bij brief van 28 maart 2007 heeft de attaché voor sociale zaken van de Nederlandse Ambassade in Suriname het Internationaal Bureau bericht dat [B.] in Suriname in het handelsregister is ingeschreven als eigenaar van een busbedrijf. Verder is gebleken dat [B.] eigenaar is van een perceel met opstallen op de plaats waar dat busbedrijf is gevestigd. Een taxateur heeft dit onroerend goed getaxeerd op een waarde van € 158.000,--. Bij brief van 4 april 2007 heeft het Internationaal Bureau deze gegevens aan het College gestuurd.

1.7. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 30 januari 2007 en 21 februari 2007. Het College heeft de resultaten van het onderzoek van het Internationaal Bureau bij de heroverweging in bezwaar betrokken. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante verklaard dat het busbedrijf op naam van haar zoon staat. Zij heeft geen nadere verklaring kunnen geven voor het verschil tussen haar opgave en de uit het onderzoek blijkende gegevens.

1.8. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 30 januari 2007 en 21 februari 2007 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante door geen melding te maken van de volmacht van 15 juli 2006 haar inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand vanaf die datum niet is vast te stellen. Daarbij is overwogen dat niet aannemelijk is dat de volmacht alleen is verleend in verband met een wapenvergunning, dat er aanwijzingen zijn omtrent vermogen in Suriname en dat appellante geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de uit het onderzoek van het Internationaal Bureau verkregen feiten omtrent het busbedrijf en het onroerend goed waarop dit is gevestigd, en de lezing van appellante hierover.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat het hoger beroep niet meer gericht is tegen de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op het besluit tot opschorting van het recht op bijstand. In geschil is dus nog slechts de intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB met ingang van 15 juli 2006. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 15 juli 2006 tot en met 21 februari 2007.

4.2. Het betoog van appellante dat het huisbezoek van 13 december 2006 onrechtmatig was, kan onbesproken blijven. Het besluit van 12 juni 2007 berust immers niet op waarnemingen gedaan of verklaringen afgelegd tijdens dat huisbezoek. Appellante heeft desgevraagd een week na het huisbezoek de volmacht, waarvan het bestaan tijdens het huisbezoek was gebleken, op kantoor van de afdeling BRO getoond en daarover een verklaring afgelegd. Niet kan worden gezegd dat het College in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 53a van de WWB een nader onderzoek in te stellen naar de volmacht of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 24 november 2009, LJN BK4057 en BK4530.

4.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is het geven van een volmacht aan een kind, dat in een ander land woont op zichzelf geen feit waarvan betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op bijstand. De omstandigheid dat het hier een zeer ruim geformuleerde volmacht betreft en dat deze is gegeven tezamen met de echtgenoot van wie de betrokkene gescheiden leeft, maakt dit niet anders. Door geen mededeling te doen van de verstrekte volmacht heeft appellante dus niet de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. De rechtshandelingen die door de gevolmachtigde in naam van appellante zijn verricht, kunnen uiteraard wel van belang zijn voor de arbeidsinschakeling en het recht op bijstand, en ten aanzien van die rechtshandelingen kan wel een inlichtingenverplichting bestaan.

4.5. Appellante heeft een verklaring gegeven waarom en waartoe de volmacht werd gegeven. In het dossier bevindt zich ook een door het Korps Politie Suriname afgegeven machtiging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op naam van [B.]. Appellante heeft verklaard dat de volmacht zo ruim werd geformuleerd ten einde administratieve en ambtelijke verwikkelingen rondom dit vuurwapen te voorkomen. Dat het College zonder nader onderzoek en zonder nadere onderbouwing deze verklaring niet aannemelijk acht, is niet voldoende om te concluderen dat appellante door geen nadere gegevens omtrent bedoeling en gebruik van de volmacht te geven haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarbij is van belang dat appellante het College in staat heeft gesteld haar stellingen te verifiëren bij de notaris die de volmacht had opgesteld.

4.6. Het onderzoek van het Internationaal Bureau heeft niet geleid tot de conclusie dat appellante vermogen in het buitenland bezat. De omstandigheid dat de echtgenoot mogelijk wel vermogen had in Suriname, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College heeft geen onderzoek gedaan naar het huwelijksgoederenregime van appellante en [B.] en heeft evenmin onderzocht of, zo appellante al aanspraak zou kunnen maken op vermogen van [B.], zij hierover in de periode in geding ook redelijkerwijs kon beschikken, zodat dit gegeven ook van belang was voor haar recht op bijstand.

4.7. Dit voert tot de slotsom dat het besluit van 12 juni 2007, voor zover appellante daarbij wordt beticht van schending van de inlichtingenverplichting, berust op onzorgvuldig onderzoek en een ontoereikende motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 12 juni 2007 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Het College dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2007. Daartoe zal het College nader onderzoek kunnen doen naar de vermogenssituatie van appellante in verband met haar huwelijksgoederenregime en haar betrokkenheid bij het genoemde onroerend goed en busbedrijf, al dan niet via de door haar in het hoger beroepschrift aangeduide stichting.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 juni 2007, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2007 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV