Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
08-2440 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek van de door de Raad ingeschakelde deskundige. Belastbaarheid van appellante is juist vastgesteld. Omvang werkzaamheden functie gastvrouw/beheerder: in het rapport refereert de deskundige aan de omschrijving van de maatgevende arbeid zoals deze is gegeven in de rapportage van de arbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2440 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2008, 07/2405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de psychiater, G.T. Gerssen, appellante onderzocht en op 1 februari 2010 verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

2. Bij besluit van 18 december 2006 heeft het Uwv op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 12 september 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van deze wet. Daarbij is aangegeven dat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante het werk weer kan verrichten dat zij deed voordat zij ziek werd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij een rapportage ingebracht van de arts/medisch adviseur, M. Blom, van 19 april 2007. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts is appellante vervolgens onderzocht door de klinisch psycholoog, drs. M.S.P. Vermeulen. Bij besluit van 15 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig tot stand was gekomen. Zij zag daarom geen reden om - zoals door appellante was verzocht - een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

4. Appellante kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Zij heeft daartegen - samengevat - aangevoerd dat de ernst en omvang van haar psychische klachten zijn onderschat. Zij heeft erop gewezen dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen inlichtingen hebben ingewonnen bij haar vroegere en huidige behandelaars. Voorts is zij van mening dat de rechtbank ten onrechte de bevindingen van de arts/medisch adviseur Blom terzijde heeft geschoven alsmede zijn reactie van 3 september 2007 op de rapportage van de klinisch psycholoog Vermeulen. Tot slot blijft appellante bij haar standpunt dat zij niet in staat is tot het verrichten van haar eigen werk van gastvrouw/beheerder noch tot het verrichten van de voor haar geselecteerde voorbeeldfuncties. Wat betreft het door Gerssen verrichte onderzoek betwijfelt appellante of dit voldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft appellante er onder meer op gewezen dat niet duidelijk is geworden van welke psychische beperkingen sprake is noch in welke mate zij voorkomen, onverklaarbaar blijft dat in het rapport tot drie keer toe de GAF-score ontbreekt en haar functie van gastvrouw/beheerder meer omvatte dan alleen maar het klaarzetten van koffiekannen. Volgens appellante doet dit alles afbreuk aan de bruikbaarheid van het rapport van Gerssen.

5. Het Uwv is van opvatting dat ten aanzien van appellante de juiste beperkingen zijn vastgesteld. Volgens het Uwv zijn de bevindingen en conclusies van Gerssen in overeenstemming met de medische rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen zoals deze ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het onderzoek van Gerssen op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daartoe heeft hij overwogen dat Gerssen uitvoerig heeft gerapporteerd over zijn onderzoek. Zo is een samenvatting gegeven van de inhoud van medische informatie die tot zijn beschikking stond, waaronder ook de visie van de arts/medisch adviseur Blom, en heeft hij een beschrijving gegeven van de lichamelijke en psychiatrische gezondheidstoestand van appellante, van de afgenomen speciale anamnese, van de dagbesteding van appellante en van zijn bevindingen van zijn psychiatrisch onderzoek. De conclusies van Gerssen kunnen daarom een deugdelijke grondslag vormen voor de oordeelsvorming van de Raad.

6.2. Volgens vaste jurisprudentie volgt de Raad in dat geval de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige. Gerssen heeft aangegeven dat hij zich kan verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellante op 12 september 2006 in staat was haar functie van gastvrouw/beheerder te verrichten, omdat in de Functionele Mogelijkheden Lijst is aangegeven dat appellante in het persoonlijk functioneren is aangewezen op een voorspelbare werksituatie en op werk zonder productiepieken. Volgens Gerssen sluiten deze beperkingen van appellante aan bij de omschrijving van de maatgevende arbeid. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat, nu deze conclusie van Gerssen inhoudt dat ingestemd kan worden met de door bezwaarverzekeringsarts, W. Hovy, vastgestelde belastbaarheid voor arbeid op de datum 12 september 2006, er voldoende grond is om aan te nemen dat het Uwv bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellante juist heeft vastgesteld.

6.3. Ten aanzien van de grief van appellante dat haar functie van gastvrouw/beheerder veel meer omvatte dan Gerssen heeft aangenomen, overweegt de Raad dat hij appellante daarin niet kan volgen. Immers in zijn rapport refereert Gerssen aan de omschrijving van de maatgevende arbeid zoals deze is gegeven in de rapportage van de arbeidsdeskundige, C. van der Hoeven, van 14 december 2006. Blijkens die omschrijving werkte appellante van maandag tot en met vrijdag van ongeveer 13.00 uur tot 22.00 uur en verzorgde zij de catering voor cursisten en andere gasten. Haar voornaamste taken bestonden uit het klaarzetten van kannen koffie/thee en koek in de pauze, het inrichten van de cursuszalen (stoelen en tafels verzetten), lichte schoonmaakwerkzaamheden zoals tafels afnemen indien nodig en het inruimen van de vaatwasser en het opruimen van het vaatwerk. Voor haar werkzaamheden kon appellante steeds de hulp inroepen van vrijwilligers die dagelijks aanwezig waren. Tot de taken van appellante behoorden niet het sleutelbeheer en de inkoop. Dat Gerssen in zijn rapport als voorbeeld slechts het klaarzetten van koffiekannen ten behoeve van cursussen en andere bijeenkomsten heeft genoemd, maakt het vorenstaande niet anders.

7. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

EK