Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
09-1542 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verandering in de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ. Zorgvuldig onderzoek. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1542 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 februari 2009, 08/674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.G. Geerdink, advocaat te Oldenzaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Geerdink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 6 juli 2007 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 2 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het besluit berust op het aangepaste Schattingsbesluit zoals dat per 1 oktober 2004 geldt. Het beroep van appellant tegen het besluit van 6 juli 2007 heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 april 2008, 06/1497 en 07/907, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep aangetekend.

1.2. Omdat appellant op 1 juli 2004 ouder dan 45 jaar was, diende er een herbeoordeling plaats te vinden aan de hand van het Schattingsbesluit, zoals dat tot 1 oktober 2004 gold. Deze beoordeling heeft geleid tot het besluit van 14 november 2007, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat er geen verandering is in de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en dat hij met ingang van 22 februari 2007 recht blijft houden op een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 4 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat van een onvoldoende of onzorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare objectief medische informatie niet blijkt dat de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 oktober 2007 in twijfel zou moeten worden getrokken, in die zin dat voor appellant per 22 februari 2007 meer en/of verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan die zijn opgenomen in de voor appellant per 2 juli 2006 geldende FML. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 3 juni 2008 gegeven toelichting voldoende is gemotiveerd dat de door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem gesignaleerde, mogelijke probleempunten in dit geval geen probleem vormden en dat de voor appellant geschikt bevonden functies binnen zijn belastbaarheid bleven.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. In de nota van toelichting bij het aangepaste Schattingsbesluit staat dat degenen die zijn herbeoordeeld op basis van het aangepaste Schattingsbesluit en niet volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard, ambtshalve worden beoordeeld op basis van een dossieronderzoek. De herbeoordeling wordt uitgevoerd op basis van de meest recente (medische) gegevens uit het dossier van de betrokkene bij het Uwv. De betrokkene kan desgewenst ook om een nieuw medisch onderzoek verzoeken. Alle betrokkenen zijn hiervan per brief op de hoogte gesteld. Het Uwv heeft aangegeven dat de betreffende brieven destijds centraal zijn verstuurd en dat de betreffende brief begin augustus 2007 aan appellant is toegezonden. Appellant heeft gesteld dat hij, anders dan de rechtbank aannam, de centraal verstuurde brief van het Uwv niet heeft ontvangen.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv hem uitvoerig had moeten laten onderzoeken door een verzekeringsarts of een psychiater. Gelet op de door hem ingebrachte medische informatie had de rechtbank een medisch deskundige dienen te benoemen voor nader onderzoek naar zijn psychische klachten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat van een onvoldoende of onzorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest. De Raad laat in het midden of de door het Uwv centraal verstuurde brief met betrekking tot de herbeoordeling daadwerkelijk is verzonden of ontvangen omdat, naar het oordeel van de Raad, in de bezwaarfase het door appellant gestelde gebrek, ook als daar sprake van is, op een aanvaardbare manier is hersteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant immers niet alleen op de hoorzitting van 25 maart 2008 gesproken, maar heeft ook tijdens een daaraan aansluitend spreekuur een oriƫnterend psychiatrisch onderzoek verricht. Verder is door de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de huisarts en de behandelend psycholoog van appellant.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant ten tijde in geding door het Uwv zijn onderschat. De Raad voegt daar het volgende aan toe. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft - zoals naar voren komt uit het overwogene onder 4.1 - bezwaarverzekeringsarts E. Vastert, die aanwezig was bij de hoorzitting, dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij de huisarts en de psycholoog van appellant en een oriƫnterend psychiatrisch onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat hij zich kon verenigen met de FML waarin beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens de bezwaarverzekeringsarts werd rekening gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid, hetgeen passend is bij de aanwezige psychische problematiek. Ten aanzien van de lichamelijke klachten ontbrak de objectivering om ook op lichamelijk vlak beperkingen aan te nemen. De Raad kan zich met de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts verenigen. Voorts is de Raad van oordeel dat gelet op de beschikbare medische informatie van rond de datum in geding het wel aannemelijk is dat appellant toen psychische problemen had door de echtscheiding. De beschikbare medische gegevens bevatten evenwel geen objectief-medische aanwijzingen voor het oordeel dat appellant op de hier in geding zijnde datum 22 februari 2007 in lichamelijk en/of psychisch opzicht zwaarder beperkt was te achten dan door de verzekeringsarts van het Uwv is aangenomen. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

4.3. Ook wat betreft de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, waartegen appellant overigens geen specifieke gronden heeft ingebracht, heeft de Raad, gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 juni 2008 en uitgaande in verband met overweging 4.2 van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL