Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
08-6329 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering. Voor zover de verzekering ingevolge de ANW zou kunnen worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, dan is voor het ontnemen hiervan op een toereikende compensatie is geboden (LJN AU8520 en LJN BA2500). Het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, kan als een gerechtvaardigd doel worden gekwalificeerd en het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht, is geschikt en proportioneel. Geen redenen om artikel 26, zesde lid van het KB 746, waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

008/6329 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2008, 08/692 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1954, woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Haar echtgenoot [naam echtgenoot] is op [in] 2007 overleden. [echtgenoot] ontving vanaf 1989 een AOW-uitkering en is vóór 1 januari 2000 geremigreerd naar Marokko. Tot 1 januari 2000 is hij deswege verzekerd geweest ingevolge de volksverzekeringen, laatstelijk op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746). Artikel 26 van KB 746 is per 1 januari 2000 vervallen.

1.2. Naar aanleiding van appellantes aanvraag van 22 oktober 2007 om een uitkering in het kader van de Algemene nabestaandenwet (ANW) heeft de Svb deze aanvraag bij besluit van 5 november 2007 afgewezen.

1.3. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 22 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb overwogen dat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de ANW omdat haar echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de beëindiging van de verplichte verzekering van [echtgenoot] met ingang van 1 januari 2000 in strijd is met het vertrouwensbeginsel, alsmede met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De afschaffing van de verplichte verzekering per 1 januari 2000 is volgens appellante namelijk aan te merken als een volgens internationale verdragen ontoelaatbare wijziging van het aan [echtgenoot] toegekende ouderdomspensioen, omdat de aan die uitkering verbonden rechten en plichten - zoals het recht op verplichte verzekering ingevolge de ANW - op 1 januari 2000 zijn vervallen.

3.2. Voorts is namens appellante gesteld dat de weigering om aan appellante een ANW-uitkering te verstrekken in strijd is met het verbod van ongelijke behandeling als neergelegd in diverse internationale verdragen zoals artikel 65, eerste lid, van de Euro-Mediterrane overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, zoals deze in werking is getreden op 1 maart 2000 (hierna: Associatieovereenkomst) in verbinding met de EG-Verordening 1408/71 alsook met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), artikel 1 van het twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 3 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (VNM).

3.3. Appellante is deze mening toegedaan omdat het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en de ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden over een periode gelegen voor 1 januari 2006 (Stb 2005, 720, hierna: KB 720) waarin een gunstiger regime van toepassing is, een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit met zich brengt, omdat weduwen in Marokko vaker met een afwijzing van hun ANW aanvraag worden geconfronteerd dan de groep personen, die met behoud van een langlopende uitkering in overigens gelijke omstandigheden in een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gaan wonen vóór 1 januari 2000. Die groep personen is immers door de Svb alsnog tot 1 januari 2008 in de gelegenheid gesteld zich over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2005 vrijwillig te verzekeren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [echtgenoot] op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de ANW of ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Ter beantwoording ligt daarom slechts voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het KB 746, waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten.

4.2. Met betrekking tot het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 december 2005 (LJN AU8520) en 6 april 2007 (LJN BA2500). In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat personen van wie de verplichte ANW-verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren tegen een premie die wordt berekend naar het daadwerkelijk genoten inkomen. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat, voor zover de verzekering ingevolge de ANW zou kunnen worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, voor het ontnemen hiervan op deze wijze een toereikende compensatie is geboden.

4.3. Ten aanzien van het beroep op artikel 14 van het EVRM verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 december 2003 (LJN AO2909) en zijn onder 4.2 genoemde uitspraak van 9 december 2005, waarin hij - ook met betrekking tot aanspraken op grond van de ANW - heeft overwogen dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd en dat het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht, geschikt en proportioneel is.

4.4. Wat betreft het beroep van appellante op diverse internationale verdragen en supranationale regelingen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 juni 2009 (LJN BJ3847) waarin de Raad het volgende heeft overwogen.

4.5. Uitgaande van het feit dat [echtgenoot] tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen, laatstelijk op grond van artikel 26 van het KB 746, geldt het volgende. Artikel 26, zesde lid, van het KB 746 luidde: “Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2000.”. In de nota van toelichting bij KB 746 en een beleidsnotitie van 29 mei 1996 (Kamerstukken II, 1995/1996, nr.1) is aangegeven dat de beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende postactieven is ingegeven door de wens van de regelgever om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren. Door in een ander land te gaan wonen, onderwerpt men zich aan de verantwoordelijkheden die de overheid van dat land zich tot doel heeft gesteld en derhalve ook aan de wet- en regelgeving van dat land, aldus de regelgever. De Raad heeft reeds vele malen eerder - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 december 2003 (LJN AO2909) - geoordeeld dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht met de mogelijkheid tot een aansluitende vrijwillige verzekering, is geschikt en proportioneel.

4.6. Vervolgens rijst de vraag of de naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën (hierna: Van Pommeren), in KB 720 opgenomen - tijdelijke - uitzondering op de hoofdregel, gelijkelijk voor appellante dient te gelden. De Raad stelt vast dat die (in artikel 63e van de ANW, in verbinding met artikel 3 van het KB 720 getroffen) regeling, een uitzondering is op de hoofdregel van de uitsluitend op ingezetenschap gebaseerde verplichte verzekering, teneinde de verzekeringspositie van bepaalde categorieën voorheen verplicht verzekerden in overeenstemming te brengen met artikel 39 van het EG-Verdrag. De Raad wijst er op dat de situatie van appellante wordt beheerst door een juridisch regime dat in betekenende mate afwijkt van het stelsel van rechtsregels dat in de zaak Van Pommeren van toepassing was nu personen als - de overleden echtgenoot van - appellante geen aanspraak kunnen maken op vrij verkeer tussen Marokko en de lidstaten van de Europese Gemeenschap. Naar het oordeel van de Raad was de besluitwetgever dan ook bevoegd om, zonder schending van enige (internationale) rechtsregel, appellante niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen.

4.7. Nu uit het voorgaande volgt dat appellante niet als nabestaande van een voor de ANW verzekerde persoon aangemerkt kan worden, heeft de rechtbank terecht het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) J. Waasdorp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

TM

III. DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),

statue:

confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par H.J. de Mooij en présence J. Waasdorp en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 26 Mai 2010.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.