Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
09-4449 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Interen op vermogen na ontvangst erfenis. Fictieve interingsnorm. Vaststelling vermogen. Schuld aan ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4449 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 26 juni 2009, 07/402 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Aan appellante is bij besluit van 8 juli 1996 met ingang van 1 september 1996 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij datzelfde besluit is haar vermogen vastgesteld op fl. 14.493,35 negatief. Daarbij is onder meer rekening gehouden met een schuld aan haar ouders van

fl. 16.000,--. Met ingang van 29 oktober 2002 is de bijstand beëindigd. Van 4 maart 2003 tot en met 31 december 2003 is haar weer bijstand verleend.

1.2. Op 7 februari 2001 (hierna: de peildatum) is de broer van appellante overleden. Als haar aandeel in de erfenis ontving zij op 20 januari 2004 een bedrag van € 21.725,57 op haar bankrekening. Appellante heeft het College van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht (hierna: College) van de ontvangst van dit bedrag in kennis gesteld.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2004, verzonden 8 april 2004, heeft het College met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw van appellante een bedrag van € 21.613,51 teruggevorderd. Na gemaakt bezwaar is bij besluit van 16 juli 2004 de grondslag van de terugvordering gewijzigd in artikel 58, eerste lid, aanhef onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 20.052,16. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 9 december 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 16 januari 2007, LJN AZ6498, is de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, het besluit van 16 juli 2004 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De Raad heeft daartoe overwogen, dat het vrij te laten vermogen van appellante op de peildatum fl. 20.600,-- bedroeg en dat de gedingstukken geen uitsluitsel gaven over de omvang van het vermogen van appellante op die datum. De Raad heeft voorts met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar enige overwegingen ten overvloede gegeven.

1.4. Bij besluit van 6 maart 2007, verzonden 13 maart 2007, heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de Raad, en overeenkomstig de destijds geldende bepalingen van de Beleidsregels terugvordering en verhaal Wet werk en bijstand, de terugvordering in tijdsduur beperkt tot de periode van 8 april 2002 tot en met 7 april 2004 en het terugvorderingsbedrag dienovereenkomstig vastgesteld op € 17.592,57.

1.5. Tegen dit besluit heeft appellante op 24 april 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.6. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het College het terug te vorderen bedrag opnieuw gewijzigd en nader vastgesteld op € 16.887,43. Dit hield verband met het feit dat over de periode van 1 januari 2004 tot en met 7 april 2004 abusievelijk bruto was teruggevorderd.

1.7. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het College het terug te vorderen bedrag wederom gewijzigd en nader bepaald op € 12.239,95. Daarbij is overwogen dat verzuimd is het vermogen van appellante op de peildatum vast te stellen. Na heronderzoek heeft het College dat vermogen vastgesteld op € 1.423,63, waarbij de gestelde schuld aan de ouders (zie hierboven onder 1.1) niet is meegenomen omdat geen sprake zou zijn van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Gelet op het toepasselijke normbedrag daarvoor resteerde volgens het College als vrij te laten vermogen € 7.924,24. Na aftrek van dit bedrag van het ontvangen erfdeel uit de nalatenschap van de broer (€ 21.725,57) resteerde een bedrag van € 13.801,33. Op dat bedrag heeft het College uit coulance nog een bedrag van € 1.561,35 (zijnde een extra vergunde 50% intering boven de toepasselijke bijstandsnorm over een periode van drie maanden) in mindering gebracht. Een en ander heeft erin geresulteerd dat het College van appellante wegens gemaakte kosten van bijstand over de periodes van 8 april 2002 tot 29 oktober 2002 en van 4 maart 2003 tot en met 7 april 2004 een bedrag van € 12.239,95 heeft teruggevorderd.

1.8. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft de Bestuurscommissie het besluit van 6 maart 2007, zoals gewijzigd bij de besluiten van 24 mei 2007 en 19 november 2007, bekrachtigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank volstaan met de vaststelling dat het College het besluit van 6 maart 2007, zoals nadien gewijzigd (hierna: het bestreden besluit), onbevoegd heeft genomen. Zij heeft het beroep om die reden gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en voorts een beslissing gegeven inzake proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft aldus ten onrechte verzuimd in het dictum op te nemen dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad ziet hierin evenwel onvoldoende grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak nu hier, mede gelet op de overige onderdelen van het dictum, sprake is van een kennelijke misslag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld (naar rato van anderhalf maal de bijstandsnorm) in te teren op het ontvangen erfdeel uit de nalatenschap van haar broer, dat in het kader van de terugvordering bij de vermogensvaststelling ten onrechte geen rekening is gehouden met de schuld van appellante aan haar ouders en dat niet op de juiste wijze rekening is gehouden met vrij te laten bedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5. Ten aanzien van de bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit verwijst de Raad allereerst, ambtshalve, naar zijn uitspraak van 16 maart 2010, LJN BL8816. Daarin heeft de Raad geconcludeerd dat het Drechtstedenbestuur (het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Drechtsteden) vanaf 8 maart 2006 ten aanzien van de besluiten in geding bevoegd was en dat de Drechtraad (het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Drechtsteden) eerst op 19 maart 2008 de hier aan de orde zijnde bevoegdheden ingevolge de WWB rechtsgeldig aan de Bestuurscommissie heeft overgedragen. Dit betekent dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet de Bestuurscommissie maar het Drechtstedenbestuur (nog) bevoegd was tot het nemen van dat besluit. Het bestreden besluit van het College blijft evenwel ook aldus onbevoegd genomen en is om die reden terecht vernietigd. De Raad zal evenals de rechtbank nagaan of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen worden gelaten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de Drechtraad op 19 maart 2008 alsnog de hier aan de orde zijnde bevoegdheden van het Drechtstedenbestuur aan de Bestuurscommissie heeft gedelegeerd, dat de Bestuurscommissie het nieuwe besluit op bezwaar zou dienen te nemen en dat het nieuw te nemen besluit naar moet worden aangenomen inhoudelijk niet anders zou luiden nu de Bestuurscommissie het bestreden besluit inmiddels op 7 juli 2008 heeft bekrachtigd. De Raad zal daarbij, gelet op de verstreken tijdsduur, tevens de mogelijkheden bezien om tot een finale beslechting van dit geschil te komen.

6. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep ten aanzien van de terugvordering is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

6.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn gemaakt indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de WWB.

6.2. Vaststaat dat appellante op 20 januari 2004 feitelijk de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 21.725,57 als aandeel in de nalatenschap van haar broer, zodat vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend.

6.3. Tussen partijen is niet in geding dat het bedrag van € 21.725,57 kan worden toegerekend aan de ingevolge de Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB in aanmerking te nemen periode van twee jaar voorafgaande aan de verzending van het primaire terugvorderingsbesluit (8 april 2004), derhalve de periode van 8 april 2002 tot en met 7 april 2004, althans voor zover in die periode - voorafgaand aan het ter beschikking komen van het erfdeel - bijstand aan appellante is verleend. Concreet betreft het dan de periodes van 8 april 2002 tot en met 28 oktober 2002 (periode 1) en van 4 maart 2003 tot en met 19 januari 2004 (periode 2). Voor de periode van 20 januari 2004 tot en met

7 april 2004 vormt artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen juiste terugvorderingsgrondslag aangezien op dat moment geen sprake meer was van aanspraken op middelen maar van middelen die toen reeds feitelijk ter beschikking stonden van appellante.

6.4. Of het College op grond van deze bepaling bevoegd is over te gaan tot terugvordering hangt af van het antwoord op de vraag of de ontvangen middelen tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vermogensgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Op 8 april 2002 gold voor appellante als alleenstaande ouder op grond van artikel 54 van de Abw een vermogensgrens van fl. 21.243,76 (€ 9.640,--). Op de peildatum was die vermogensgrens fl. 20.600,-- (€ 9.347,87).

6.5. Het College heeft het in aanmerking te nemen vermogensoverschot becijferd op € 12.239,95 en dit bedrag - uiteindelijk - teruggevorderd van appellante. Het College heeft de terugvordering derhalve niet gebaseerd op de kosten van bijstand over de periode van 8 april 2002 tot en met 28 oktober 2002 (€ 4.808,31 netto/ € 5.964,77 bruto) respectievelijk de periode van 4 maart 2003 tot en met 31 maart 2004 (€ 7.786,49 netto/€ 9.889,16 bruto) in totaal € 12.594,80 netto/ € 15.859,93 bruto. Aangezien appellante daardoor niet is benadeeld zal ook de Raad van het eerstgenoemde bedrag uitgaan.

6.6. Anders dan appellante heeft betoogd was het College derhalve in beginsel bevoegd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB tot terugvordering van kosten van bijstand over te gaan en was dus niet gehouden de bijstand van appellante met ingang van 20 januari 2004 te beëindigen en haar eerst te laten interen op het door haar ontvangen aandeel in de nalatenschap van haar broer. Evenmin was het College gehouden in het kader van de terugvordering rekening te houden met een fictieve interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm, hetgeen in een kortere bijstandsperiode en dus tevens in een lager terugvorderingsbedrag zou resulteren.

De Raad verwijst wat dat laatste aspect betreft naar zijn vaste jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2004, LJN AR5395, ten aanzien van de toepassing van het nagenoeg gelijkluidende artikel 82, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw. De Raad ziet geen aanleiding ten aanzien van de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB anders te oordelen.

6.7. Partijen houdt nog verdeeld de vraag of, en zo ja in hoeverre, bij de vermogensvaststelling op 8 april 2002 de door appellante gestelde (rest)schuld van fl. 15.200,-- dient te worden betrokken. Naar vaste rechtspraak van de Raad dienen positieve bestanddelen van het vermogen van een bijstandsaanvrager/ -ontvanger slechts te worden gesaldeerd met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

6.8. De Raad stelt vast dat het College bij het toekenningsbesluit van 8 juli 1996, en de daarin vervatte vermogensvaststelling, rekening heeft gehouden met de schuld van fl. 16.000,-- aan haar beide toen nog levende ouders. Voorts bevindt zich onder de stukken een door appellante en haar beide ouders ondertekende schuldbekentenis gedateerd 9 juni 1996 waarin staat vermeld dat appellante een bedrag van fl 16.000,-- ter leen heeft ontvangen. Daarnaast kan uit de stukken worden afgeleid dat de restschuld van fl. 15.200,-- (€ 6.897,46) na het overlijden van de moeder van appellante in 2005 met haar aandeel in de nalatenschap is verrekend. Naar het oordeel van de Raad bestaat onder die omstandigheden geen aanleiding het realiteitsgehalte van de gestelde schuld en de terugbetalingsverplichting in twijfel te trekken, zodat deze schuld bij de vermogensvaststelling dient te worden betrokken.

6.9. Een en ander leidt tot het volgende. Op 8 april 2002 wordt appellante voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geacht de beschikking te hebben over positieve vermogensbestanddelen tot een bedrag van € 21.725,57. Daarop strekt in mindering de schuld van € 6.897,46 alsmede het toentertijd geldende vrij te laten vermogen van € 9.640,--. Dit betekent dat in beginsel € 5.188,11 ( € 21.725,57 -/- €16.537,46) voor terugvordering in aanmerking komt. Gelet op hetgeen onder 6.3 en 6.5 is overwogen valt dit bedrag binnen de omvang van hetgeen in periode 1 aan kosten van bijstand is gemaakt. De Raad neemt daarbij nog in aanmerking dat het College in beginsel ingevolge artikel 58, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot bruto terugvordering van de over periode 1 verleende bijstand en dat de bruto terugvordering op zichzelf niet door appellante is betwist. Reeds hierom en omdat het College er in het bestreden besluit ten onrechte aan heeft voorbijgezien dat per

4 maart 2003 sprake was van een beroep op bijstand, na onderbreking van de eerdere bijstandsverlening met (ruim) meer dan een maand - zodat het vermogen weer opnieuw diende te worden vastgesteld en weer opnieuw ten volle rekening diende te worden gehouden met de vermogensvrijlating -, kon met inachtneming van de voorhanden gegevens van terugvordering over periode 2 geen sprake meer zijn. De Raad ziet, tot slot, geen grond voor het oordeel dat de Bestuurscommissie in redelijkheid geen gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering van appellante van de gemaakte kosten van bijstand tot het hierboven genoemde bedrag van € 5.188,11.

6.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het de omvang van het in stand laten van de rechtsgevolgen betreft. De Raad ziet verder aanleiding zelf in de zaak te voorzien op de wijze zoals in het dictum aangegeven.

7. De Raad acht termen aanwezig het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007, zoals nadien gewijzigd, geheel in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 maart 2007 zoals nadien gewijzigd;

Bepaalt dat de Bestuurscommissie bevoegd is tot terugvordering van appellante van gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.188,11;

Veroordeelt de Bestuurscommissie in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat de Bestuurscommissie aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV