Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
09-3608 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Niet is kunnen blijken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies een overschrijding inhoudt van appellants bestemde FML vastgelegde belastbaarheid. Vast is komen te staan dat zelfs bij herberekening aan de hand van een later bekend geworden recenter CBS-indexcijfer de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit nog steeds (net) niet wordt bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3608 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2009, 08/3640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is verschenen, vergezeld van I. Lupi. Voor het Uwv is verschenen mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk voltijds werkzaam geweest als ijzerwerker bij een bedrijf dat in 2004 failliet is gegaan. Per 5 januari 2005 heeft appellant zich met diverse fysieke klachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld.

2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant onderzocht door verzekeringsarts Verheijde, die mede op basis van bij brief van 4 december 2005 door appellants huisarts in het kader van de toepassing van de Ziektewet verstrekte gegevens een onderzoeksrapport met Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige Van der Sman drie functies geselecteerd die door appellant met de ten aanzien van hem vastgestelde en in die FML vastgelegde beperkingen kunnen worden vervuld en waarmee hij een inkomen kan verwerven dat (gegeven een reductiefactor 1,00) een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van minder dan 35% (te weten 30,09%). Op basis van die gegevens heeft het Uwv bij besluit van

5 december 2006 vastgesteld dat appellant per 3 januari 2007 geen recht op een WIA-uitkering heeft. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

3. In reactie op een hem door het Uwv - als uitvloeisel van de uitspraken van de Raad van 2 maart 2007 (onder meer LJN AZ9652) over de maximering van de urenomvang van de maatman - toegezonden formulier “Uitkering opnieuw bekijken” heeft appellant op 22 juni 2007 te kennen gegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot een volledige herbeoordeling. In dat kader is appellant opnieuw onderzocht door verzekeringsarts Verheijde, die voor de datum 2 maart 2007 een gelijkluidende FML heeft opgesteld als bedoeld in overweging 2, op basis waarvan arbeidsdeskundige Schieman drie (plus drie reserve-) functies heeft geselecteerd die door appellant met de in FML per 2 maart 2007 vastgelegde beperkingen kunnen worden vervuld en waarmee appellant een inkomen kan verwerven dat (gegeven een reductiefactor 0,97) een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van (nog steeds) minder dan 35% (te weten 34,18%). Op basis van die gegevens heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2008 vastgesteld dat appellant per 2 maart 2007 geen recht op een WIA-uitkering heeft.

4. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank (samengevat) het volgende overwogen:

- er is geen sprake van een herhaalde WIA-aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het om een andere ziekteperiode gaat;

- er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek naar appellants fysieke en psychische gesteldheid onzorgvuldig of onvolledig is geweest;

- het onder behandeling zijn bij de Riagg maakt appellant niet ongeschikt voor gangbare arbeid;

- bij het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zijn geen psychische ziektebeelden waargenomen die aanleiding hadden moeten geven tot het doen van nader onderzoek;

- ook in beroep heeft appellant niet nader gemotiveerd welke (toegenomen) klachten ten grondslag liggen aan zijn onvermogen tot het verrichten van gangbare arbeid;

- appellant heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd op basis waarvan de maatman anders had moeten worden berekend;

- er bestaat geen aanleiding tot inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat. In dit verband heeft appellant er met nadruk op gewezen dat hij onder behandeling van de Riagg is. Tevens heeft appellant de Raad gevraagd een medisch deskundige in te schakelen.

7.1. De Raad kan zich wat de door appellant bestreden medische grondslag van het bestreden besluit betreft vinden in het oordeel van de rechtbank alsook de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daarbij heeft de Raad nog het volgende in aanmerking genomen.

7.2. Aangezien de verwijzing door de huisarts naar en het in behandeling komen bij de Riagg eerst hebben plaatsgevonden (ruim) na de datum thans in geding, kunnen die ontwikkelingen niet bij de beoordeling van het op die datum betrekking hebbende besluit op bezwaar worden betrokken. Appellant heeft in hoger beroep geen op de medische situatie ten tijde in geding betrekking hebbende gegevens ingebracht. Evenmin als in beroep is appellant er in hoger beroep in geslaagd om de voor het door de bestuursrechter inschakelen van een medisch deskundige noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de (met betrekking tot de datum in geding) voorliggende medische gegevens teweeg te brengen. Indien appellant meent dat na de datum in geding een toename van zijn (medische) klachten èn beperkingen heeft plaatsgevonden, dan kan hij zich daarmee tot het Uwv wenden. Niet is kunnen blijken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies een overschrijding inhoudt van appellants in de voor 2 maart 2007 bestemde FML vastgelegde belastbaarheid.

7.3. Ter zitting heeft appellant nog gesteld dat het Uwv van een hoger maatmaninkomen had moeten uitgaan en dat dusdoende de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit wel was bereikt. Appellant heeft evenwel geen gegevens ter onderbouwing van die stelling ingebracht. Het dagloon waarvan bij de berekening van het maatmaninkomen is uitgegaan, is geen punt van geschil en, zoals ter zitting nog is besproken, de gedingstukken bevatten ook overigens geen gegevens die zijn gelijk bewijzen.

Ter zitting is komen vast te staan dat zelfs bij herberekening aan de hand van een later bekend geworden recenter CBS-indexcijfer de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit nog steeds (net) niet wordt bereikt.

8. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL