Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
08-4198 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4198 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2008, 07/3347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. B. Leemhuis, kantoorgenoot van mr. Mauritz. Het Uwv was, zoals hij had bericht, niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 14 augustus 2007 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 8 maart 2007, inhoudende dat de uitkering van appellant met ingang van die datum ongewijzigd wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding vindt om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de uitkomsten van het medische onderzoek. Appellant is in Spanje door een verzekeringsarts onderzocht en de bezwaarverzekeringsarts heeft aandacht geschonken aan de nadere informatie van de appellant behandelend psycholoog, radioloog en internist. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn geschikt te achten voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten zijn verergerd en dat er nieuwe klachten zijn bijgekomen. Ten onrechte zijn de verzekeringsartsen voorbij gegaan aan de verregaande beperkingen van appellant, die worden bevestigd door de door hem overgelegde medische informatie. Hij lijdt onder andere aan een reumatische aandoening en heeft gehoor- en gezichtsproblemen. Ook heeft hij te kampen met psychische klachten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij informatie van het Gezondheidscentrum Acequión, een EMG-rapport, een verslag radiodiagnostiek, een technisch medisch rapport en een certificaat graad van handicap overgelegd. Hij heeft verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen om zijn mogelijkheden om te werken te beoordelen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische stukken leiden niet tot een andere conclusie. De Raad acht de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op deze stukken in haar rapport van 9 december 2008 overtuigend. De Raad voegt daar aan toe dat appellant tijdens een latere beoordeling is onderzocht door psychiater W.J. Lubberding en door orthopedisch chirurg dr. C.M.T. Plasmans. De door hen gerapporteerde bevindingen liggen in lijn met de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen tijdens de onderhavige beoordeling. De Raad ziet dan ook geen reden voor het raadplegen van (nog) een deskundige.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

KR