Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
08/3795 WAJONG + 08/4083 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van betrokkene om toekenning AAW/WAJONG-uitkering moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen op het onaantastbaar geworden besluit van 5 augustus 1991 waarbij de AAW-uitkering werd ingetrokken. Betrokkene heeft gesteld dat een nieuw feit is dat zij lijdt aan spastische tetraplegie en vanaf haar geboorte ook al verlammingsverschijnselen aan de armen had. Met de aanduiding spastische parese van beide benen hebben de verzekeringsartsen aangeknoopt bij het toen bestaande beeld van aanzienlijke functiebeperkingen van de benen. Dat later gesproken wordt over spastische tetraplegie als de aandoening toenemende beperkingen van de bovenste ledematen geeft, is geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3795 + 08/4083 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 mei 2008, 07/3678 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem, eveneens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 2 maart 2010 zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Betrokkene is verschenen en bijgestaan door mr. Van Etten. Voor het Uwv verscheen mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 26 juli 2007 ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 22 februari 2007 gehandhaafd waarbij hij vaststelde dat er geen grond is voor herziening van zijn besluit van 5 augustus 1991.

1.2. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 26 juli 2007 vernietigd. De rechtbank overwoog dat het verzoek van betrokkene om haar een Wajong-uitkering toe te kennen niet kan worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 5 augustus 1991 en evenmin als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. Het Uwv heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de brief van 13 december 2006, waarbij namens betrokkene om toekenning van een Wajong-uitkering is verzocht, niet anders kan worden aangemerkt dan als een verzoek om terug te komen van het besluit van 5 augustus 1991 waarbij de aan betrokkene toegekende uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 1 oktober 1991 is ingetrokken.

3.2. Het hoger beroep van betrokkene heeft, zoals zij ter zitting van de Raad heeft bevestigd, een voorwaardelijk karakter. Zij heeft betoogd dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voor het geval de Raad tot het oordeel komt dat zij verzocht heeft om terug te komen van het besluit van 5 augustus 1991.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In 1990 heeft betrokkene de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht haar aan te merken als jeugdgehandicapte en een uitkering toe te kennen. Op dit verzoek is toewijzend beslist en aan betrokkene is met ingang van 14 februari 1989 een AAW-uitkering verstrekt. Bij besluit van 5 augustus 1991 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de AAW-uitkering ingetrokken met ingang van 1 oktober 1991, omdat betrokkene in staat werd geacht met haar voorgehouden – overwegend administratieve – functies een zodanig inkomen te verwerven dat van een relevant verlies aan verdiencapaciteit niet langer sprake was. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 5 augustus 1991 ingestelde beroep bij uitspraak van 15 april 1993 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

4.2. Het is vaste rechtspraak dat een aanvraag moet worden beoordeeld naar het recht dat gold op het voor honorering van die aanvraag relevante tijdstip. Voor de Wajong-aanvraag van betrokkene betekent dit dat een beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de AAW, de wet die als voorloper van de Wajong voorzag in de mogelijkheid uitkering te verstrekken aan een jeugdgehandicapte en gold op de dag waarop betrokkene 17 jaar werd.

4.3. De Raad stelt vast dat de vraag of betrokkene op de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt was in de zin van de AAW reeds bevestigend is beantwoord na haar uitkeringsaanvraag in 1990. Nu betrokkene tot 1 oktober 1991 als jeugdgehandicapte een AAW-uitkering heeft ontvangen, kan haar verzoek – zoals het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld – niet anders worden opgevat dan als een verzoek om terug te komen op het onaantastbaar geworden besluit van 5 augustus 1991 waarbij de AAW-uitkering werd ingetrokken. Immers alleen als komt vast te staan dat betrokkene op en na 1 oktober 1991 arbeidsongeschikt in de zin van de AAW is gebleven, kan zij op grond van het overgangsrecht in de Wajong in aanmerking komen voor een uitkering op grond van die wet.

4.4. Uit de overwegingen onder 4.2 en 4.3 volgt dat de Raad – anders dan de rechtbank – het verzoek van betrokkene wel beheerst ziet worden door artikel 4:6 van de Awb. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Hij ziet, mede gelet op het door betrokkene ingestelde hoger beroep, geen reden voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank en zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, beoordelen of het besluit van het Uwv om de Wajong-aanvraag van betrokkene af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 5 augustus 1991 de – door de rechtbank in de aangevallen uitspraak juist uiteengezette – beperkte rechterlijke toets kan doorstaan.

4.5. Betrokkene heeft gesteld dat een nieuw feit is dat zij lijdt aan spastische tetraplegie en vanaf haar geboorte ook al verlammingsverschijnselen aan de armen had.

4.6. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben uiteengezet dat ten tijde van het besluit van 5 augustus 1991 bekend was dat betrokkene als gevolg van een geboortetrauma gehandicapt is. Bij de onderzoeken in 1990 en 1991 hebben de verzekeringsartsen een sterk gestoord gangpatroon waargenomen en een spastische parese van beide benen genoteerd. Klachten van de armen zijn door betrokkene toen niet genoemd. Bij het selecteren van voor betrokkene geschikte functies is op grond van het opgestelde belastbaarheidspatroon uitgangspunt geweest dat zij niet alleen beperkingen ondervindt bij activiteiten die beenbelastend zijn (bijvoorbeeld staan, lopen en trappen lopen), maar in het algemeen slechts tot het leveren van een beperkte lichamelijke inspanning in staat is en dus ook beperkt is voor activiteiten waarbij de armen worden belast (bijvoorbeeld reiken, bovenhands werken en tillen).

4.7. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsartsen niet miskend dat de aandoening van betrokkene beperkingen tot gevolg kan hebben van het gebruik van alle ledematen. Met de aanduiding spastische parese van beide benen hebben zij aangeknoopt bij het toen bestaande beeld van aanzienlijke functiebeperkingen van de benen. Dat later gesproken wordt over spastische tetraplegie als de aandoening toenemende beperkingen van de bovenste ledematen geeft, is geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.8. Uit de gegevens die betrokkene in bezwaar en beroep heeft ingebracht blijkt dat haar medische situatie geleidelijk is verslechterd. Haar lichamelijke mogelijkheden, ook van de armen, en haar mentale veerkracht zijn afgenomen. De ingebrachte gegevens zien op de situatie ten tijde van de Wajong-aanvraag in 2006 en enige jaren daaraan voorafgaand. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat de gegevens geen feiten bevatten die in 1991 niet bekend waren of een ander licht werpen op de handicap van betrokkene en de daaruit in 1991 voortvloeiende beperkingen.

4.9. De overwegingen onder 4.5 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het Uwv de Wajong-aanvraag van betrokkene kon afwijzen met een verwijzing naar het besluit van 5 augustus 1991 en dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De Raad zal haar beroep tegen het besluit van 26 juli 2007 alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR