Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
08-2868 WWB + 08-2869 WWB + 08-3271 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. (Mede)terugvordering. Omvang geding wordt bepaald aan de hand van de gronden die de indiener van het hoger beroepschrift heeft aangevoerd. Niet aangetoond dat voldaan is aan de eis van “informed consent”. Inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Niet gezegd kan worden dat het gebruik maken door appellant van hetgeen betrokkene 2 heeft verklaard zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuurorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Beoordelingsperiode. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. Van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, in de zin van aanspraak op plaatsing in een AWBZ-instelling (LJN BB6205), is geen sprake. Geen schending van artikel 26 van het IVBPR. Door schending inlichtingenverplichting ten aanzien van woonadres is recht op bijstand niet vast te stellen. Bijstand terecht ingetrokken. Geen reden om af te zien van terugvordering. Medeterugvordering houdt geen stand, omdat niet de gehele periode waarover wordt teruggevorderd sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/245
JWWB 2010/147
ABkort 2010/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2868 WWB

08/2869 WWB

08/3271 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 april 2008, 07/1274, 07/1275 en 07/1789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], beide wonende te [woonplaats] (hierna: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]),

en

appellant

Datum uitspraak: 18 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

[Betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [betrokkene 1] ontving vanaf 1 april 1985 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In het kader van het Project Waterproef heeft het team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van [betrokkene 1]. Uit de ontvangen verbruikgegevens van de woning van [betrokkene 1] aan de [adres 2] in [woonplaats] is gebleken dat in die woning vanaf 1 januari 2003 sprake was van een water-, gas-, en elektriciteitsverbruik die varieerde van 0 tot 8 m³, van 1 tot 15 m³ respectievelijk van 232 tot 540 Kwh per jaar. Voorts is onder meer onderzoek ingesteld in de bestandsgegevens van het Bedrijfsprocessensysteem van de politie, regio Utrecht. Op 2 november 2006 hebben twee sociaal rechercheurs van de gemeente Utrecht een huisbezoek afgelegd aan de woning van [betrokkene 2] aan de [adres 1] in [woonplaats], waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn aangetroffen. Op een later tijdstip die dag is [betrokkene 2] in haar woning verhoord. Nadat [betrokkene 1] op het politiebureau een verklaring had afgelegd, heeft een huisbezoek in zijn woning plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het opgemaakte proces-verbaal van 6 november 2006 en de daarbij behorende bijlagen, waaronder de processen-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

1.3. Bij besluit van 20 november 2006 heeft appellant de bijstand van [betrokkene 1] met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken op de grond dat hij in ieder geval vanaf 1 januari 2003 onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent zijn woon- en verblijfplaats en hij in ieder geval vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene 2]. Bij dat besluit heeft appellant tevens de over de perioden van 1 januari 2003 tot en met 6 januari 2006 en van 18 april 2006 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 45.438,42 van [betrokkene 1] teruggevorderd en dit bedrag mede van [betrokkene 2] teruggevorderd. Bij besluit van 5 april 2007, voor zover hier van belang, heeft appellant de bezwaren van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegen het besluit van 20 november 2006 ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 januari 2006 (lees: 2007) heeft appellant het bedrag van de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over het jaar 2006 verhoogd met de afgedragen loonheffing ad € 1.590,53. Bij besluit van 18 juni 2007 heeft appellant het bezwaar van [betrokkene 1] tegen het besluit van 26 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 5 april 2007 en 18 juni 2007 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de besluiten van 20 november 2006 en 26 januari 2007 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verklaring die [betrokkene 2] op 2 november 2006 heeft afgelegd buiten beschouwing moet worden gelaten omdat inbreuk is gemaakt op het huisrecht nu niet voldaan is aan de eis van informed consent. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant op grond van de beschikbare gegevens terecht tot de conclusie gekomen dat [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf heeft in de woning van [betrokkene 2] zodat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat de gedingstukken onvoldoende grondslag bieden voor de vaststelling dat ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van wederzijdse zorg, is voldaan. De rechtbank heeft tevens bepalingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en dat het hoger beroep van appellant zich in de eerste plaats richt tegen het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van [betrokkene 2] in verband met een inbreuk op het huisrecht buiten beschouwing moet worden gelaten en dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Voorts heeft appellant, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, zich op het standpunt gesteld dat aan het besluit van 20 november 2006 mede ten grondslag is gelegd dat [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent zijn woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat de rechtbank ten onrechte deze subsidiaire grond van de intrekking van de bijstand van [betrokkene 1] niet heeft beoordeeld.

4.2. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben geen hoger beroep ingesteld tegen het door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel dat [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf in de woning van [betrokkene 2] heeft en dat voldaan is aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding.

4.2.1. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008, LJN BG1621, overweegt de Raad dat de omvang van het geding in hoger beroep in beginsel wordt bepaald door de gronden die de indiener van het hoger beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. Beroepsgronden die door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen kunnen, voor zover de in hoger beroep aangevoerde gronden zich niet tot die oordelen van de rechtbank uitstrekken, in hoger beroep niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Dit is slechts anders indien sprake is van nauwe verwevenheid tussen een of meer gronden die de indiener van het hoger beroep heeft aangevoerd en een of meer door een andere partij bij wege van verweer naar voren gebrachte standpunten, dan wel indien van die andere partij redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen, omdat zij daarbij geen - zelfstandig belang - had.

4.2.2. Van een nauwe verwevenheid als bedoeld onder 4.2.1 tussen de door appellant aangevoerde gronden en de vraag of [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van [betrokkene 2] is geen sprake.

4.2.3. Wel is in dit geval sprake van de situatie dat van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] redelijkerwijs niet kan worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank immers niet alleen de beide besluiten op bezwaar vernietigd, maar ook de daaraan voorafgaande primaire besluiten herroepen. Gelet op die omstandigheid hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen zelfstandig belang bij het instellen van hoger beroep. Dit betekent dat de vraag of [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf in de woning van [betrokkene 2] had tot de omvang van het hoger beroep behoort.

4.3. De Raad zal eerst het standpunt van appellant beoordelen dat er geen aanleiding bestaat om de door [betrokkene 2] tijdens het verhoor in haar woning op 2 november 2006 afgelegde verklaring buiten aanmerking te laten.

4.3.1. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbenden toestemming hebben gegeven voor het binnentreden van de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop gewezen te worden dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.3.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat op 2 november 2006 geen huisbezoek is afgelegd maar dat alleen sprake was van een aanhouding van [betrokkene 1] in de woning van [betrokkene 2] als verdachte van uitkeringsfraude en dat uit oogpunt van proportionaliteit is besloten [betrokkene 2] in haar woning te verhoren omdat zij zich verplaatst in een rolstoel. Nog daargelaten dat door de sociaal rechercheurs is gerapporteerd over enkele waarnemingen tijdens hun verblijf in de woning van [betrokkene 2], stelt de Raad vast dat de sociaal rechercheurs op twee verschillende tijdstippen de woning van [betrokkene 2] zijn binnengetreden. Bij een dergelijk binnentreden is sprake van een inbreuk op het huisrecht, tenzij aan de daaraan te stellen eisen is voldaan.

4.3.3. Naar het oordeel van de Raad bestond er, gelet op het vastgestelde verbruik aan gas, water en elektriciteit in de woning van [betrokkene 1] en de gegevens afkomstig uit het Bedrijfsprocessensysteem van de politie, regio Utecht, in dit geval een redelijke grond als bedoeld in 4.3.1 In dit verband wijst de Raad bovendien op de verklaring die [betrokkene 1] op 13 februari 2005 tegenover de politie heeft afgelegd inhoudende dat hij een relatie heeft gehad met [betrokkene 2], dat de relatie over is, maar dat hij er nog elke dag komt en daar ook vaak slaapt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan appellant geen andere effectieve voor [betrokkene 1] minder ingrijpende middelen ter beschikking stonden om de rechtmatigheid van de (verdere) verlening van bijstand te verifiëren.

4.3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat voldaan is aan de eis van “informed consent”. Uit de rapportage die is opgemaakt naar aanleiding van het bezoek aan de woning van [betrokkene 2] en het opgestelde aanvullend proces-verbaal van 23 april 2008 blijkt niet expliciet dat [betrokkene 1] respectievelijk [betrokkene 2] voorafgaand aan het binnentreden in de woning zijn geïnformeerd over de reden en het doel van het huisbezoek en dat zij er op zijn gewezen dat zij niet verplicht zijn de sociaal rechercheurs binnen te laten. Dit betekent dat sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het gebruik maken door appellant van hetgeen [betrokkene 2] heeft verklaard zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuurorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat indien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar behoren zouden zijn geïnformeerd en vervolgens zouden hebben geweigerd mee te werken die weigering met zich zou kunnen brengen dat het recht op bijstand van [betrokkene 1] niet kon worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van bijstand en terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant de intrekking van bijstand in het primaire besluit van 20 november 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 1 januari 2003 tot en met 20 november 2006. De Raad zal vervolgens beoordelen of het standpunt van appellant dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vanaf 1 januari 2003 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op goede gronden berust.

4.5. Ten aanzien van het hoofdverblijf van [betrokkene 1] in de woning van [betrokkene 2] is de Raad van oordeel dat, gelet op de - niet bestreden - gegevens over water-, gas- en elektriciteitsverbruik in de woning van [betrokkene 1], weliswaar vaststaat dat [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 niet in deze woning heeft gewoond, maar dat daaruit niet per definitie voortvloeit dat [betrokkene 1] vanaf die datum zijn hoofdverblijf had in de woning van [betrokkene 2]. Tijdens zijn verhoor op 2 november 2006 heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij de laatste twee à drie jaar erg veel bij [betrokkene 2] verblijft. [betrokkene 2] heeft op diezelfde datum verklaard dat zij [betrokkene 1] enkele jaren geleden heeft leren kennen, naar zij dacht drie of vier jaar geleden, en dat het een half jaar heeft geduurd na die kennismaking voordat hij bij haar introk. Op basis van deze verklaringen kan derhalve niet als vaststaand worden aangenomen dat [betrokkene 1] al vanaf 1 januari 2003 in de woning van [betrokkene 2] zijn hoofdverblijf heeft gehad, terwijl andere gegevens die daarop wijzen ontbreken. Op basis van de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 2 november 2006 genoemde drie jaar en de verklaring van [betrokkene 2] dat het een half jaar heeft geduurd voordat [betrokkene 1] bij haar is ingetrokken bestaat naar het oordeel van de Raad voldoende grondslag om aan te nemen dat [betrokkene 1] vanaf 1 mei 2004 zijn hoofdverblijf in de woning van [betrokkene 2] heeft gehad. In dit verband wijst de Raad op de verklaring van [betrokkene 2] dat [betrokkene 1] bij haar is ingetrokken en dat haar kinderen hebben geaccepteerd dat hij bij haar woont. Deze verklaring komt overeen met die van [betrokkene 1] dat hij meestal in de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] verblijft en dat hij meestal bij [betrokkene 2] slaapt.

4.6. De Raad zal vervolgens ingaan op de vraag of in de periode van 1 mei 2004 tot en met 16 januari 2006 en van 18 april 2006 tot en met 20 november 2006 voldaan is aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend. De wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige mate niet of slechts in zeer geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Daarbij is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit hebben. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] doen een keer per week gezamenlijk de boodschappen en [betrokkene 1] doet zo nodig de tussentijdse boodschappen. Aangezien [betrokkene 2] in verband met haar lichamelijke handicap beperkingen ondervindt, verricht [betrokkene 1] huishoudelijke taken zoals eten koken, wassen en incidenteel het opvegen van vuil. Zij eten gezamenlijk en brengen de avonden door met televisie kijken. Zij bezoeken gezamenlijk de verjaardagen van de dochter van [betrokkene 2] in [plaatsnaam]. Behoudens de bijdrage van [betrokkene 1] van € 50,-- per maand voor de kosten van boodschappen, neemt [betrokkene 2] de volledige kosten van de huishouding voor haar rekening. Hiermee is naar het oordeel van de Raad voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4.7. Namens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is tijdens de procedure in eerste aanleg subsidiair aangevoerd dat uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB een onderscheid voortvloeit tussen enerzijds bloedverwanten in de tweede graad bij wie er bij één van hen sprake is van zorgbehoefte en anderzijds personen niet zijn bloedverwanten in de tweede graad bij wie deze zorgbehoefte ook speelt. Aangevoerd is dat dit onderscheid in strijd is met het in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) neergelegde verbod van discriminatie. De rechtbank is aan deze subsidiaire beroepsgrond niet toegekomen omdat zij tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Raad zal daarom deze subsidiaire beroepsgrond beoordelen.

4.7.1. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is met betrekking tot bloedverwanten in de tweede graad die een gezamenlijke huishouding voeren indien er bij één van hen sprake is van zorgbehoefte, een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt dat twee ongehuwde personen die een gezamenlijke huishouding voeren voor het verlenen van bijstand gelijk worden gesteld met gehuwden.

4.7.2. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn van mening dat zij, gelet op de zorgbehoefte van [betrokkene 2], in dezelfde positie verkeren als de personen voor wie de onder 4.7.1 genoemde uitzondering geldt met als enig verschil dat zij geen bloedverwanten in de tweede graad van elkaar zijn. Nu dit onderscheid niet is te rechtvaardigen dient volgens hen de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB opgenomen uitzondering in hun situatie te worden toegepast.

4.7.3. De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 26 van het IVBPR in beginsel geen ongerechtvaardigd onderscheid mag worden gemaakt in gelijke gevallen.

4.7.4. Of [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vergeleken met de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB omschreven uitzonderingscategorie, voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd, hangt naar het oordeel van de Raad onder meer af van het antwoord op de vraag of objectief bezien voldoende aannemelijk is dat ten tijde hier van belang sprake is geweest van zorgbehoefte in de zin van voornoemd artikelonderdeel.

4.7.5. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, waaronder in zijn uitspraak van 18 september 2007, LJN BB6205, is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB sprake indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende reden van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de betrokkene vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijk aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen.

4.7.6. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat bij [betrokkene 2] sprake was van zorgbehoefte in de onder 4.7.5 omschreven zin. De Raad heeft daarbij betekenis gehecht aan de verklaring van [betrokkene 2] dat zij twee keer per week hulp krijgt van Aveant, de vroegere thuiszorg, en de aard en omvang van de door [betrokkene 1] verleende mantelzorg. Op de vraag of [betrokkene 2] zich alleen zou kunnen redden, heeft [betrokkene 1] geantwoord dat hij denkt dat zij dat wel kan en dat zij dat vroeger ook heeft gedaan.

4.7.7. Nu van zorgbehoefte bij [betrokkene 2] geen sprake was, kunnen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], vergeleken met de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB omschreven uitzonderingscategorie, voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR niet als gelijk gevallen worden beschouwd. De namens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangevoerde subsidiaire beroepgrond slaagt derhalve niet.

4.8. De Raad komt tot de conclusie dat [betrokkene 1] over de hier aan de orde zijnde perioden met [betrokkene 2] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Hij had derhalve over die perioden geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

[betrokkene 1] heeft van het voeren van een gezamenlijke huishouding geen mededeling gedaan aan appellant. Daarmee heeft hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot en met

16 januari 2006 en van 18 april 2006 tot en met 31 oktober 2006 in te trekken. In hetgeen [betrokkene 1] heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

4.9. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot 1 mei 2004 overweegt de Raad het volgende. Uit het voorgaande volgt dat de Raad appellant niet volgt in zijn standpunt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant heeft aan zijn besluitvorming subsidiair ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie, waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad is van oordeel, gelet op de onderzoeksgegevens, dat appellant intrekking van de bijstand over voormelde periode wel op deze grond kan baseren. Naar het oordeel van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang dat in de woning van [betrokkene 1] in de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003 het waterverbruik nihil is geweest. Gelet op dit gegeven heeft [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 niet gewoond op het door hem opgegeven woonadres. Voorts heeft, zoals overwogen in 4.5, [betrokkene 1] vanaf 1 mei 2004 zijn hoofdverblijf gehad in de woning van [betrokkene 2]. [betrokkene 1] heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden doordat hij appellant geen mededeling heeft gedaan van zijn feitelijke woonadres. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van [betrokkene 1] over de hier aan de orde zijnde periode in te trekken. In hetgeen [betrokkene 1] heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

4.10. Uit 4.8 en 4.9 vloeit voort dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat appellant bevoegd was de vanaf 1 januari 2003 gemaakte kosten van bijstand van [betrokkene 1] terug te vorderen. In hetgeen [betrokkene 1] heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet in overeenstemming met zijn beleid tot volledige terugvordering van [betrokkene 1] heeft besloten. Voorts ziet de Raad in hetgeen [betrokkene 1] heeft aangevoerd evenmin een grond voor het oordeel dat appellant in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

4.11. De Raad stelt vast dat [betrokkene 1] tegen het besluit van 18 juni 2007, waarbij appellant de verhoging van het bedrag van de terugvordering met de afgedragen loonheffing ad € 1.590,53 heeft gehandhaafd, geen zelfstandige argumenten naar voren heeft gebracht. Nu de terugvordering van [betrokkene 1] stand kan houden, kan ook het besluit van 18 juni 2007 stand houden.

4.12. Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB kunnen kosten van bijstand, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat [betrokkene 2] die persoon is, is vereist dat zij in de in geding zijnde periode met [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Zoals overwogen in 4.8, is de Raad van oordeel dat pas vanaf 1 mei 2004 sprake is van een gezamenlijke huishouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Daaruit vloeit voort dat het besluit van appellant, waarbij de voor [betrokkene 1] vanaf 1 januari 2003 gemaakte kosten van bijstand mede van [betrokkene 2] zijn teruggevorderd, niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dus het beroep van [betrokkene 2] tegen het besluit van 5 april 2007 terecht, zij het op andere gronden, gegrond verklaard en dat besluit terecht vernietigd.

4.13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep inzake de intrekking van bijstand van [betrokkene 1] met ingang van 1 januari 2003 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van [betrokkene 1] slaagt. Het hoger beroep inzake de medeterugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van [betrokkene 2] slaagt niet voor zover het betreft de in 4.9 besproken periode. Het ten aanzien van [betrokkene 2] genomen terugvorderingsbesluit kan, omdat het ondeelbaar is, niet worden gehandhaafd.

4.14. De Raad zal, gelet op al het voorgaande, de aangevallen uitspraak vernietigen behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven inzake vergoeding van de door [betrokkene 2] gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 5 april 2007, voor zover door [betrokkene 2] aangevochten, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen en bepalen dat appellant met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [betrokkene 2] tegen het besluit van 20 november 2006.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van [betrokkene 2] in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van de door [betrokkene 2] gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht;

Verklaart de beroepen van [betrokkene 1] ongegrond;

Verklaart het beroep van [betrokkene 2] gegrond en vernietigt het besluit van 5 april 2007 voor zover daarbij het bezwaar van [betrokkene 2] tegen het besluit van 20 november 2006 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van [betrokkene 2] neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van [betrokkene 2] tot een bedrag van € 322,--.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AV