Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
08-1664 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezit en gebruik van auto. Overschrijding vermogensgrens.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1664 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 februari 2008, 07/1593 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.W. Delhaye, advocaat te Bergum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 30 maart 2010 waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 14 juli 1982 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Nadat appellante desgevraagd had aangegeven dat zij de bestuurder was van een auto, maar dat haar zoon de eigenaar was, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante gehoord en is de RDW om inlichtingen verzocht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 december 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 december 2006 de bijstand van appellante vanaf 6 oktober 2006 in te trekken. Voorts heeft het College bij besluit van 19 december 2006 de over de periode van 6 oktober 2006 tot 1 december 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.421,45 van haar teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante gedurende de betreffende periode de beschikking had over een auto van het merk Fiat met een zodanige waarde dat zij beschikte over een vermogen dat de grens van het voor haar vrij te laten vermogen overtrof.

1.3. Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling Fraude Preventie een nader onderzoek ingesteld naar het gebruik van diverse auto’s door appellante. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 maart 2007.

1.4. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 14 december 2006 en 19 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de intrekking is beperkt tot de periode van 6 oktober 2006 tot 1 december 2006.

4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of ten tijde hier van belang de auto van het merk Fiat, type Panda, met kenteken [kenteken] tot het vermogen van appellante moet worden gerekend.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van diens vermogen vormt waarover hij ook daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken.

4.4. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een situatie als bedoeld onder 4.3. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat de Fiat in de genoemde periode niet op naam van appellante geregistreerd stond, maar op naam van de bij haar inwonende zoon. De Raad is evenwel van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante in de in geding zijnde periode feitelijk de beschikkingsmacht over genoemde auto had en dat deze tot haar vermogen dient te worden gerekend. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.5. Uit de gegevens van de RWD blijkt dat appellante van 3 juli 2000 tot 29 maart 2005 een Fiat Punto met het kenteken RD-PG-19 op haar naam had staan, en dat zij deze auto vanaf laatstgenoemde datum op naam van haar zoon heeft laten registreren. Vaststaat dat de zoon van appellante niet over een rijbewijs beschikt. Vervolgens is op 6 oktober 2006 de Fiat Panda met kenteken [kenteken] aangeschaft voor € 9.000,-- waarvan het kenteken op naam van de zoon is geregistreerd. Volgens de niet betwiste verklaring van de verkoper, Fiatdealer De Jong te Damwoude, heeft appellante de aanschaf van de auto in het bijzijn van haar zoon contant afgerekend. Verder is niet betwist dat appellante de verzekering voor de auto betaalde en dat haar zoon de wegenbelasting voor zijn rekening nam. Appellante heeft tegenover de consulent verklaard dat zij de vaste gebruiker van de auto was.

4.6. Appellante heeft aangevoerd dat zij de auto ten behoeve van haar zoon gebruikte en slechts zo nu en dan voor eigen doeleinden. Verder heeft zij aangegeven dat haar zoon de auto heeft gefinancierd en dat hij, met uitzondering van de verzekering, de (onderhouds)kosten van de auto betaalde. Appellante heeft deze stelling onderbouwd met afschriften van de bankrekening van haar zoon. De Raad volgt appellante niet in dit betoog. De Raad acht daarbij van belang dat de afschriften weliswaar kort voor de aanschaf van de Fiat Panda enkele grote kasopnames laten zien, doch daarmee is niet aangetoond dat met die bedragen de betreffende auto is aangeschaft. De Raad wijst verder op de verklaring van de garagehouder waaruit blijkt dat appellante de auto contant heeft afgerekend. Verder is niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat de zoon van appellante de onderhoudskosten voor zijn rekening neemt. Dat appellante de auto doorgaans ten behoeve van haar zoon gebruikt acht de Raad niet aannemelijk aangezien de zoon meerdere dagen per week door taxibedrijf Waaksma naar de dagbehandeling De Woudhof in Damwoude wordt gebracht. Verder blijkt het eigen gebruik van de auto door appellante uit de omstandigheid dat zij voor haarzelf een vervoersvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten heeft aangevraagd in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van leefkilometers alsmede een gehandicaptenkaart in het kader van de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart, waarop in beide gevallen in positieve zin is beslist. Dat appellante voor het gebruik van de auto de toestemming van haar zoon nodig had is, mede in het licht van het voorgaande, niet aannemelijk.

4.7. Gelet hierop was het College bevoegd om de bijstand over de periode van 6 oktober 2006 tot 1 december 2006 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het voorgaande betekent dat het College ook bevoegd was de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 1.421,45 van appellante terug te vorderen. De hoogte van de terugvordering en de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is door appellante niet bestreden.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV