Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
07-6331 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een causaal verband tussen de ernstige pijnklachten van betrokkene en de bij haar geconstateerde lichamelijke afwijkingen naar het oordeel van de Raad ten onrechte uitgesloten. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Slingerland heeft het standpunt betrokken dat niet valt uit te sluiten dat de fysieke beperkingen volledig het gevolg zijn van de gevonden afwijkingen. Het gegeven dat de pijnklachten aanzienlijk zijn afgenomen na de operatie in december 2006 is voor de Raad een overtuigende aanwijzing dat Slingerland de medische situatie van betrokkene op de datum in geding niet onjuist heeft ingeschat en terecht tot de conclusie kwam dat voor haar ernstige pijnklachten een voldoende verklaring was. De Raad zal zelf voorzien en het besluit van 13 januari 2006 herroepen, waarmee de wijziging van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 maart 2006 vervalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6331 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 november 2007, 06/1492 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en bij brief van 29 november 2007 een rapportage ingebracht van zijn bezwaararbeidsdeskundige.

Namens betrokkene heeft mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Diemen, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 maart 2009 heeft de orthopedisch chirurg A.C.H. Slingerland geantwoord op een door de Raad gestelde vraag.

Nadat van de zijde van appellant een reactie was ontvangen op de rapportage van Slingerland, heeft de Raad een psychiater als deskundige benoemd. Psychiater E. Barkhof heeft op 3 februari 2010 gerapporteerd en de hem gestelde vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Betrokkene is verschenen en bijgestaan door mr. Degelink. Voor appellant verscheen mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een besluit van appellant van 17 mei 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij heeft appellant zijn besluit van 13 januari 2006 tot intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 14 maart 2006 niet gehandhaafd. De WAO-uitkering van betrokkene is met ingang van 14 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2006 vernietigd en appellant opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 januari 2006. De rechtbank zag in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding de door haar ingeschakelde deskundige, orthopedisch chirurg Slingerland, niet te volgen in zijn oordeel dat de rugklachten van betrokkene op de datum in geding duidelijk waren toegenomen en dat de betrokkene meer beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak aan het besluit van 17 mei 2006 een voldoende medische motivering.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de deskundige in de rapportage heeft verzuimd aan te geven in hoeverre de klachten en het ziektegedrag van betrokkene reëel zijn en objectief leiden tot beperkingen. Voor meer beperkingen dan zijn verwoord in de in hoger beroep aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 november 2007 is geen reden.

3.2. Betrokkene heeft de bevindingen van de deskundige onderschreven en zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard.

4. De Raad beschikt over de volgende medische gegevens die hij voor zijn oordeel van belang acht.

4.1. Betrokkene is in 1989 uitgevallen met rugklachten. Aan haar is een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een herbeoordeling in 1994 is vastgesteld dat betrokkene ten gevolge van reële en objectiveerbare lage rugklachten niet tot een duurzame arbeidsprestatie in staat is en ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt is.

4.2. Bij de in geding zijnde herbeoordeling in 2005 is de verzekeringsarts H.E. van de Horst van mening dat betrokkene met haar uitgebreide en invaliderende klachten sterk beperkt is voor het verrichten van arbeid, maar dat volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden niet langer kan worden aangenomen omdat zij veelvuldig tot ten minste basaal functioneren in staat is. Aan de wisselende aard van de klachten van betrokkene wordt naar zijn opvatting maximaal tegemoet gekomen door in de FML van 1 november 2005 de duurbeperking op te nemen, die eerder al door de verzekeringsarts J.H.J. Kuckelkorn was bepleit omdat de pijnklachten essentiële rustmomenten noodzakelijk doen zijn. De bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove ziet geen reden voor meer beperkingen. Naar haar oordeel wordt de rug in voldoende mate ontzien met de in de FML opgenomen beperkingen en is pijn, die geen specifieke oorzaak heeft, geen reden voor inactiviteit. In haar in beroep ingebrachte rapportage van 1 augustus 2006 heeft zij geconcludeerd dat er geen reden is om een causaal verband aan te nemen tussen de degeneratieve afwijkingen en de ernst van de door betrokkene ervaren pijn.

4.3. In opdracht van de rechtbank heeft orthopedisch chirurg Slingerland betrokkene onderzocht. In zijn rapportage van 19 februari 2007 heeft hij uiteengezet dat betrokkene in het voorjaar van 2006 een zeer slechte periode heeft doorgemaakt met rugklachten van een zodanige ernst dat zij nauwelijks tot zelfverzorging in staat was. Haar situatie is verbeterd met de operatie (een target disc decompressie) die in december 2006 is uitgevoerd. Voor de datum in geding is de deskundige het niet eens met de FML. Hij adviseert een psychologisch onderzoek als zijn rapportage voor de beslechting van het geschil niet toereikend is.

4.4. Geconfronteerd met een reactie van bezwaarverzekeringsarts Ten Hove op zijn rapportage van 19 februari 2007 heeft Slingerland in zijn brief aan de Raad van 16 maart 2009 nader toegelicht dat hij bij zijn onderzoek van betrokkene een slechte beweeglijkheid vond, passend bij een progressieve discusdegeneratie die ten minste een deel van de klachten verklaart. Hij is van oordeel dat de fysieke beperkingen van betrokkene zeer waarschijnlijk niet voor 100% verklaard kunnen worden uit de gevonden afwijkingen, maar dat dat ook niet volledig is uit te sluiten. Hij heeft zijn advies voor psychologisch onderzoek herhaald.

4.5. In opdracht van de Raad is een psychiatrische expertise verricht door psychiater Barkhof. Volgens zijn rapportage van 3 februari 2010 heeft hij bij zijn onderzoek van betrokkene geen psychiatrische stoornissen waargenomen. Uit het feit dat de pijnklachten van appellante niet toenamen in een periode waarin zij psychische begeleiding zocht in verband met heftige gebeurtenissen in haar privé leven en sterk zijn verminderd na een somatische ingreep, leidt de deskundige af dat de pijnklachten geen psychische oorzaak hebben.

5. De Raad overweegt aan de hand van de in 4.1 tot en met 4.5 genoemde gegevens het volgende.

5.1. Betrokkene is in verband met haar rugklachten door appellant jarenlang volledig arbeidsongeschikt geacht. Appellant kan bij een herbeoordeling tot het oordeel komen dat klachten, die onverminderd voortduren, niet langer in de weg staan aan het verrichten van enige arbeid. Een dergelijk oordeel zal wel overtuigend gemotiveerd moeten zijn.

5.2. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een causaal verband tussen de ernstige pijnklachten van betrokkene en de bij haar geconstateerde lichamelijke afwijkingen naar het oordeel van de Raad ten onrechte uitgesloten. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Slingerland heeft het standpunt betrokken dat niet valt uit te sluiten dat de fysieke beperkingen volledig het gevolg zijn van de gevonden afwijkingen. Met de rapportage van de door de Raad benoemde psychiater staat vast dat de pijnklachten geen psychische component hebben. Het gegeven dat de pijnklachten aanzienlijk zijn afgenomen na de operatie in december 2006 is voor de Raad een overtuigende aanwijzing dat Slingerland de medische situatie van betrokkene op de datum in geding niet onjuist heeft ingeschat en terecht tot de conclusie kwam dat voor haar ernstige pijnklachten een voldoende verklaring was.

5.3. De medische gegevens die in hoger beroep ter beschikking van de Raad zijn gekomen, waaronder de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Ten Hove, brengen de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Er is geen reden om het oordeel van Slingerland als onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige niet te volgen. Ook de Raad stelt vast dat het besluit van 17 mei 2006 geen voldoende medische grondslag heeft.

5.4. De overwegingen onder 5.1 tot en met 5.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen met dien verstande dat de Raad geen aanleiding ziet voor een opdracht aan appellant om nogmaals te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 januari 2006. De Raad zal zelf voorzien en het besluit van 13 januari 2006 herroepen, waarmee de wijziging van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 maart 2006 vervalt.

6. De Raad ziet aanleiding appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand stelt de Raad op een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de opdracht aan appellant om opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 januari 2006;

Herroept het besluit van 13 januari 2006;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR