Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
09-2332 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening van de toeslag op de WAO-uitkering. Geen dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2332 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 maart 2009, 08/3612, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in verband met ziekte op 22 februari 1998 uitgevallen voor haar werkzaamheden. Nadat haar in verband daarmee aanvankelijk een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) was toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is die uitkering per 7 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Per die datum is haar tevens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet toegekend.

1.2. Op 15 april 2006 is de WW-uitkering van appellante beëindigd. In verband daarmee is de haar toegekende toeslag per die datum verhoogd.

1.3. In oktober 2007 is gebleken dat de WW-uitkering te vroeg is beëindigd en dat appellante nog tot en met 14 april 2008 uitkering kon krijgen. Bij besluit van 13 november 2007 heeft het Uwv appellante vervolgens met terugwerkende kracht per 15 april 2006 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Tevens is de hoogte van de toeslag per die datum vastgesteld op € 13,57 bruto per dag. Appellante heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv de toeslag die appellante over de periode van 15 april 2006 tot en met 30 november 2007 op haar WAO-uitkering ontving, verrekend met de haar met terugwerkende kracht verstrekte WW-uitkering. Tevens is haar een bedrag van € 38,34 nabetaald. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit van 16 april 2008 (hierna: bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft de verrekening van de toeslag op de WAO-uitkering met de alsnog verstrekte WW-uitkering toegelicht. Tevens is toegelicht dat de nabetaling van € 38,34 het gevolg is van afrondingsverschillen in de herberekening.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv ten aanzien van de verrekening onderschreven. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat niet was gebleken van omstandigheden op grond waarvan het Uwv niet tot verrekening had mogen overgaan.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat er een dringende reden was op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van de herziening, te weten het feit dat zij door verrekening met terugwerkende kracht een inkomen genoot dat onder het relevante minimum lag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn dringende redenen slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herziening en terugvordering voor de verzekerde heeft. Het gaat daarbij om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden (zie bijvoorbeeld CRvB 1 maart 2005, 03/2021, LJN AT1551). Dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van de verrekening, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat zij door die verrekening een inkomen genoot dat onder het voor haar geldende minimum lag, heeft appellante niet met enig feitelijk gegeven onderbouwd, terwijl deze stelling ook strijdt met de door het Uwv gedane nabetaling van € 38,34. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

4.2. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW

205