Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
09-1864 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op WW-uitkering ontzegd over achttien vakantiedagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant over achttien uitkeringsdagen geen WW-uitkering toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/199 met annotatie van KH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1864 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 maart 2009, 08/1638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellant is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 juli 2007 vastgesteld op 15-25%.

1.2. Op 25 mei 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 5 juli 2007 heeft appellant het Uwv bericht in de periode van 26 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 met vakantie te willen.

1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 23 juli 2007 een WW-uitkering toegekend. Bij afzonderlijk besluit van 14 augustus 2007 heeft het Uwv appellant het recht op WW-uitkering ontzegd over achttien vakantiedagen. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant, gezien de ingangsdatum van zijn WW-uitkering, over 2007 geen recht heeft op het in de Vakantieregeling WW neergelegde maximum aantal vakantiedagen van 20 per jaar, maar op een evenredig deel daarvan, te weten negen dagen. Appellant gaat 27 dagen op vakantie en neemt aldus 18 vakantiedagen te veel op. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant ingevolge artikel 3 van de Vakantieregeling WW recht heeft op negen vakantiedagen met behoud van uitkering. De rechtbank heeft overwogen dat de Vakantieregeling WW een methode is om het aantal dagen waarop recht op vakantie met behoud van uitkering bestaat en dat per kalenderjaar twintig bedraagt evenredig te verminderen in gevallen waarin de werkloosheid eerst ontstaat in de loop van een kalenderjaar. Uit de toelichting bij de Vakantieregeling WW valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat er voor diegenen die vanuit de WAO in de WW terecht komen een uitzonderingspositie kan of moet worden gemaakt. Evenmin blijkt uit deze toelichting dat de wetgever dergelijke situaties over het hoofd heeft gezien. Het zou wetstechnisch onjuist zijn als er vanuit de WW gecompenseerd zou worden voor het gegeven dat een belanghebbende in de WAO geen vakantie zou hebben opgenomen. De rechtbank heeft benadrukt dat een belanghebbende in de WAO geen vakantierechten opbouwt en er dus ook geen sprake kan zijn van het kwijtraken van vakantiedagen.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de uitkomst van de toepassing van de Vakantieregeling onbillijk is. Hij heeft erop gewezen dat hij in 2007 tot 26 juli niet met vakantie is geweest en derhalve nog geen vakantiedagen heeft opgenomen. Indien hij vanuit een loonsituatie in de WW terecht was gekomen was het redelijk dat een evenredig aantal dagen zou worden gekort omdat hij die dagen dan als vakantiedagen uitbetaald had gekregen. In het kader van de WAO gebeurt dat niet, noch kan hij vakantiedagen meenemen naar de WW. Omdat appellant halverwege het jaar van de WAO naar de WW is overgeheveld, heeft hij uiteindelijk maar negen vakantiedagen gedurende het hele jaar 2007. Dit kan volgens appellant niet de bedoeling zijn van de Vakantieregeling. Volgens hem is dus wel degelijk een uitzondering gerechtvaardigd. Appellant heeft er voorts nog op gewezen dat het in het kader van de WAO is toegestaan met behoud van uitkering op vakantie te gaan en dat dit ook aan het Uwv gemeld moet worden, zodat er volgens hem gedurende de WAO-periode wel degelijk sprake is van vakantierechten.

4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in 2, en neemt deze over. De Raad voegt daar nog aan toe dat de Vakantieregeling WW een algemeen verbindend voorschrift is en niet voorziet in de mogelijkheid om van de daarin opgenomen regeling af te wijken. Voor zover appellant zich onrechtvaardig behandeld voelt, wijst de Raad erop dat de situatie van appellant niet anders zou zijn geweest indien appellant per 23 juli 2007 een dienstverband zou zijn aangegaan met een werkgever. Ook in dat geval zou appellant voor het jaar 2007 slechts aanspraak hebben kunnen maken op een naar evenredigheid vastgesteld aantal vakantiedagen. Het Uwv heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellant over achttien uitkeringsdagen geen WW-uitkering toekomt.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B. Bekkers.

BvW

185