Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
09-6144 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad kan zich wat de medische en arbeidskundige kant van de zaak betreft vinden in het oordeel van de rechtbank alsook de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Onderzoek door Van Weers is niet onzorgvuldig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6144 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 oktober 2009, 08/862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is verschenen, vergezeld van [A.B.. Voor het Uwv is verschenen A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in Nederland laatstelijk voltijds werkzaam geweest als tandtechnicus. In 1996 heeft hij zich met rug- en psychische klachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld. In verband daarmee is hem per 24 januari 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend. Met behoud van die uitkering en met toestemming van het Uwv is appellant in 1999 naar Turkije teruggekeerd.

2. Bij besluit van 10 september 2007 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2007, waarbij - na medisch onderzoek van appellant in Turkije en vervolgens in opdracht van het Uwv in Nederland - de WAO-uitkering per 16 september 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

3. Op of omstreeks 17 oktober 2007 heeft appellant zich wederom in Nederland gevestigd.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - na inschakeling door haar van psychiater (tevens psycho-analyticus) M.J. van Weers als deskundige - het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank (samengevat) het volgende overwogen:

- daar er geen reden bestaat eraan te twijfelen dat appellant het door Van Weers met behulp van een tolk in de Turkse taal op 13 maart 2009 uitgevoerde onderzoek heeft kunnen volgen en de gestelde vragen adequaat heeft kunnen beantwoorden, is het onderzoek door Van Weers niet onzorgvuldig;

- gelet op de bevindingen van Van Weers, die op 15 mei 2009 verslag van zijn bevindingen heeft uitgebracht en op 16 juli 2009 heeft gereageerd op appellants bij brief van 17 maart 2009 kenbaar gemaakte bezwaar tegen de door Van Weers gebruikte tolk, is de aan het besluit op bezwaar ten grondslag liggende medische advisering op basis van het door verschillende medische specialisten op hun specifieke terreinen verrichte uitgebreide en grondige onderzoek niet in strijd te achten met de zorgvuldigheidseisen;

- weliswaar is Van Weers in diagnostische zin gekomen tot een andere conclusie dan de bezwaarverzekeringsarts, maar dat geldt niet voor de gestelde beperkingen en belastbaarheid;

- appellant heeft geen gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op de datum in geding ernstiger was beperkt;

- het besluit op bezwaar berust op een toereikende medische grondslag;

- de aan de schatting ten grondslag gelegde functies leveren geen overschrijding van appellants belastbaarheid op.

5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat het onderzoek door Van Weers als gevolg van de communicatieproblemen met de tolk niet zorgvuldig is geweest. Voorts heeft appellant gewezen op de brief van Riagg-psychiater L.M.L. Vanmolkot van 1 februari 2010 waarin deze aan de huisarts heeft meegedeeld dat na de klinische observatie- en behandelperiode in de PAAZ van 13 november 2009 tot 15 januari 2010 de oorspronkelijke psychiatrische diagnose (recidiverende depressies met psychotische kenmerken, paniekstoornis met agorafobie, cannabis-gewenning) is bijgesteld naar schizo-affectieve stoornis, laatste periode depressief, chronisch en tot dusver moeilijk beïnvloedbaar en therapieresistent door het continue cannabis-gebruik, de toenemende schuldenlast en de taal- en cultuurproblemen, met als conclusie dat er in de huidige toestand sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.

6. In verweer heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd, stellende dat appellant met betrekking tot zijn medische situatie ten tijde in geding geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding kunnen geven tot twijfel aan het (door het Uwv) ingenomen standpunt wat appellants belastbaarheid op de datum in geding betreft en voorts dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ondanks een eerst in hoger beroep door de bezwaarverzekeringsarts onderkende zogenoemde verborgen beperking wat torderen betreft appellants belastbaarheid niet te buiten gaan.

7.1. De Raad kan zich wat de medische en arbeidskundige kant van de zaak betreft vinden in het oordeel van de rechtbank alsook de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid en zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

7.1.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval anders moet worden geoordeeld, is de Raad niet gebleken.

7.1.2. In dat kader heeft de rechtbank aandacht besteed aan appellants bezwaar dat de tolk waarvan Van Weers bij diens onderzoek gebruik heeft gemaakt de Turkse taal niet naar behoren beheerste; die tolk is, aldus appellant, oorspronkelijk afkomstig uit Iran, sprak weliswaar Turks, doch in een voor de doorsnee-Turk nauwelijks verstaanbaar, in Azerbeidzjan gebruikelijk dialect. Appellant had dan ook gebruik willen maken van zijn eigen vaste tolk en begeleider (C.D.), van beroep ziekenbroeder bij de GGD Roermond.

De rechtbank heeft dit - niet reeds tijdens het onderzoek door Van Weers, doch eerst vier dagen later aan het Uwv kenbaar gemaakte - bezwaar van appellant om commentaar voorgelegd aan Van Weers. Deze heeft bij brief van 16 juli 2009 meegedeeld dat appellant zijn op 13 maart 2009 meegenomen vriend bij het onderzoek als tolk had willen gebruiken, maar dat hij (Van Weers) geen gebruik van de diensten van die tolk heeft willen maken, omdat de rechtbank een beëdigde tolk Turks had ingeschakeld. Naar aanleiding van appellants bezwaar heeft Van Weers telefonisch contact opgenomen met de door hem gebruikte tolk die hem heeft meegedeeld vanaf 1995 in Nederland werkzaam te zijn als tolk Turks voor de IND en het Tolkencentrum, vanaf 2002 werkzaam te zijn als beëdigde tolk Turks, nimmer als klacht heeft gehad dat hij geen standaard Turks heeft gesproken en tijdens het onderzoek door Van Weers nimmer de indruk heeft gehad dat appellant hem niet kon verstaan. Van Weers, die die indruk ook niet kreeg op grond van de non-verbale reacties van appellant, heeft geschreven de devaluatie van de onderzoeksresultaten door appellant dan ook niet geloofwaardig te achten.

7.1.3. Gelet op deze gegevens deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek door Van Weers (ook wat dit aspect betreft) niet onzorgvuldig is te achten. Terecht heeft Van Weers - door de rechtbank ingeschakeld als vooral ook onafhankelijke psychiater - geweigerd een vriend en vaste begeleider van appellant in te schakelen als tolk. Indien appellant reeds tijdens het onderzoek problemen had met het verstaan en begrijpen van de door de rechtbank ingeschakelde tolk, dan had hij daarvan tijdens het onderzoek door Van Weers melding behoren te maken. Het komt de geloofwaardigheid van zijn bezwaar niet ten goede dat appellant dat niet heeft gedaan en eerst dagen later van bezwaren melding heeft gemaakt.

7.1.4. Uit de door appellant in hoger beroep ingebrachte brief van de Riagg Roermond van 1 februari 2010 kan niet worden opgemaakt dat de daarin neergelegde bevindingen op enigerlei wijze kunnen worden betrokken op de datum thans in geding. Die brief kan dan ook niet afdoen aan de bevindingen van het Uwv, aan de bevindingen van Van Weers of aan het oordeel van de rechtbank.

7.1.5. Weliswaar bevatte - zoals door het Uwv in hoger beroep is gesignaleerd - de FML op basis waarvan de (drie) aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn geselecteerd een zogenoemde verborgen beperking wat torderen betreft, maar aangezien uit de door bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan op 18 december 2009 gegeven toelichting duidelijk blijkt dat qua belasting de twee functies waarin dit aspect aan de orde is appellants bij de FML vastgestelde mogelijkheden niet te buiten gaan, ziet de Raad in die nalatigheid onvoldoende aanleiding om over te gaan tot honorering van het hoger beroep.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR