Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
10-54 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Niet horen bij nemen nieuw primair besluit met dezelfde inhoud als eerder besluit, is niet in strijd met de Awb. Geen opgewekt vertrouwen dat niet tot terugvordering zou worden overgegaan. Hoewel appellant stelt een grootverbruiker te zijn, is hier gezien omvang van de hennepkwekerij geen sprake van eigen gebruik (LJN BC9263). Schending inlichtingenverplichting. Geen administratie bijgehouden, zodat recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Overschrijding redelijke termijn. Hoewel de eerste hoger beroepsprocedure heeft geleid tot een herroeping van het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering en vervolgens een volledig nieuw besluitvormingstraject is gevolgd, wordt de procedure vanaf 25 maart 2005 aangemerkt als één procedure voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. In de vervolgprocedure sprake is van besluitvorming op basis van hetzelfde feitenmateriaal en wederom van een bestuursorgaan van de genoemde gemeenschappelijke regeling, zij het thans van een tot beslissing bevoegd orgaan. De Raad ziet geen redelijke grond om dit in dit kader anders te beoordelen dan in de situatie waarin het bestuursorgaan de opdracht heeft gekregen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/224
RSV 2010/176
JWWB 2010/149
ABkort 2010/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/54 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 december 2009, 08/1913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 18 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens en D.F.M. Janssen, werkzaam bij de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (hierna: Pentasz).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 17 juni 2000 een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) vanwege de gemeente Vaals. Met ingang van 1 januari 2004 ontvangt appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) vanwege het openbaar lichaam Pentasz.

1.2. Naar aanleiding van een door de politie opgemaakt proces-verbaal met betrekking tot een in de woning van appellant aangetroffen hennepplantage, heeft de Sociale Recherche Pentasz Mergelland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek, in welk kader appellant is verhoord, zijn neergelegd in een rapport van 31 januari 2005.

1.3. Bij vanwege het bestuur van Pentasz genomen besluit van 25 maart 2005 is de bijstand van appellant over de periode van 3 mei 2003 tot en met 3 september 2003 ingetrokken en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 4.436,61.

1.4. Bij brief van 4 april 2005, door Pentasz ontvangen op 6 april 2005, heeft appellant tegen het besluit van 25 maart 2005 bezwaar gemaakt. Bij vanwege het bestuur van Pentasz genomen besluit van 8 augustus 2005 is dat bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 31 januari 2006, 05/1764, het beroep van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen van dat besluit. Bij uitspraak van 18 september 2007, LJN BB3987, heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 8 augustus 2005 in stand zijn gelaten, vernietigd en het besluit van 25 maart 2005 herroepen vanwege een ondeugdelijke bevoegdheidsgrondslag van deze twee besluiten. De Raad heeft geoordeeld dat de beslissingsbevoegdheid ten tijde van het nemen van deze besluiten nog berustte bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals. De Raad heeft, met het oog op een finale beslechting van het geschil, het Dagelijks Bestuur nog in de gelegenheid gesteld het bevoegdheidsgebrek te repareren, maar het Dagelijks Bestuur is daarin niet geslaagd. In dit verband wordt, kortheidshalve, verder verwezen naar de uitspraak van de Raad.

1.6. Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het Dagelijks Bestuur een nieuw primair besluit genomen, met dezelfde inhoud als het besluit van 25 maart 2005. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 19 september 2008 is een hoorzitting gehouden.

1.7. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken beroepsgronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant betwist in hoger beroep niet langer de bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur om, na de herroeping van het besluit van 25 maart 2005, een nieuw primair besluit met dezelfde inhoud te nemen, maar acht het onjuist dat appellant voorafgaand aan het nemen van dat nieuwe besluit niet is gehoord. Hij stelt dat hij daardoor - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - in een nadeliger positie is gekomen. Ter zitting van de Raad heeft appellant er nog op gewezen dat dit bovendien in strijd is met de vaste gedragslijn van Pentasz.

4.1.1. Deze beroepsgrond treft geen doel. Het standpunt van appellant dat hij over een primair besluit als het onderhavige vooraf moet worden gehoord vindt geen steun in de WWB of in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de zijde van het Dagelijks Bestuur ter zitting, dat bij Pentasz geen sprake is van een gedragslijn als door appellant bedoeld. Ten slotte overweegt de Raad in dit verband dat, zoals van de zijde van het Dagelijks Bestuur ook is opgemerkt, dat appellant en zijn raadsman in de bezwaarfase over het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2008 zijn gehoord.

4.2. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het Dagelijks Bestuur niet het vertrouwen heeft gewekt dat niet meer tot intrekking en terugvordering zou worden overgegaan. In dat verband heeft appellant er op gewezen dat Pentasz het bedrag van € 600,--, dat appellant reeds aan Pentasz had betaald tot het moment waarop de uitspraak van de Raad van 18 september 2007 werd gewezen, aan hem heeft terugbetaald en dat op het Saldobiljet 2007 (inhoudende de stand van vorderingen en rente per 31 december 2007) dat Pentasz aan appellant heeft gestuurd is vermeld dat er geen hoofdsom en rente meer openstaan.

4.2.1. De Raad overweegt hierover het volgende. De raadsman van appellant heeft bij brief van 8 oktober 2007 aan Pentasz gevraagd om terugbetaling van het bij 4.2 vermelde bedrag omdat voor de inning van dat bedrag achteraf gezien geen rechtsgrond bestond. Nu na de herroeping van het besluit van 25 maart 2005 geen sprake (meer) was van een schuld van appellant aan Pentasz, diende het Dagelijks Bestuur voormeld verzoek in te willigen, en moet tevens worden vastgesteld dat het Saldobiljet 2007 correct is. Aan een en ander kon appellant op zichzelf niet het vertrouwen ontlenen dat het Dagelijks Bestuur definitief had afgezien van intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de in geding zijnde periode. De Raad neemt verder in aanmerking dat het Dagelijks Bestuur onweersproken naar voren heeft gebracht dat het begin oktober 2007 nog een verzoek van de raadsman van appellant om akkoord te gaan met betaling van 25% van de schuld tegen finale kwijting heeft afgewezen. Gelet op het voorgaande faalt ook deze beroepsgrond.

4.3. Met betrekking tot de intrekking en de terugvordering van de bijstand heeft appellant verwezen naar hetgeen hij in een eerder stadium van deze procedure heeft aangevoerd. Samengevat komt zijn standpunt hierop neer dat de hennepplantage in zijn woning diende voor eigen gebruik en dat hij uit de opbrengst ervan geen inkomsten heeft ontvangen.

4.3.1. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in dit standpunt. Op grond van de onderzoeksbevindingen, waaronder de gegevens uit het proces-verbaal, berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, staat vast dat appellant in zijn woning een hennepkwekerij had met ongeveer honderd planten en dat in ieder geval eenmaal is geoogst. Bij een kwekerij van deze omvang kan niet worden gesproken van teelt voor eigen gebruik, ook niet in dit geval waarin - naar de eigen stelling van appellant - sprake is van grootverbruik. De rechtbank heeft daarop, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 april 2008, LJN BC9263, terecht gewezen.

4.3.2. Appellant heeft aan het Dagelijks Bestuur niet gemeld dat zich in zijn woning een hennepkwekerij bevond. Daarmee heeft appellant gehandeld in strijd met de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Naar vaste rechtspraak levert een schending van de inlichtingenverplichting een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken - en zo nodig te bewijzen - dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Appellant is daarin niet geslaagd. Vast staat dat hij niet aan de hand van een administratie van inkomsten en uitgaven kan aantonen welk inkomen hij uit de exploitatie van de hennepkwekerij heeft ontvangen. De hiervoor vastgesteld schending van de inlichtingenverplichting brengt dus met zich dat het recht van appellant op bijstand over de periode van 3 mei 2003 tot en met 3 september 2003 niet kan worden vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over die periode. Nu appellant tegen de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid geen grieven naar voren heeft gebracht, kan de intrekking van de bijstand stand houden.

4.3.3. Het Dagelijks Bestuur was tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de over de periode van 3 mei 2003 tot en met 3 september 2003 gemaakte kosten van bijstand. Het enkele tijdsverloop in deze zaak - van verjaring is geen sprake - doet aan die bevoegdheid op zichzelf niet af.

4.3.4. Het Dagelijks Bestuur voert het beleid dat in geval van schending van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering wordt overgegaan, behoudens bijzondere omstandigheden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenals het Dagelijks Bestuur geen bijzondere omstandigheden. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Van ingrijpende gevolgen van de terugvordering voor appellant is de Raad niet gebleken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de invordering van het bedrag van de terugvordering zodanig dient te geschieden dat appellant blijft beschikken over een inkomen ter grootte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4. Ten slotte gaat de Raad in op de in het hoger beroepschrift neergelegde stelling van appellant dat in deze procedure niet is voldaan aan de waarborg van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat de procedure wordt afgewikkeld binnen een redelijke termijn. Ter zitting van de Raad heeft appellant in dit verband aangevoerd dat de terugvordering tijdens deze gehele procedure steeds boven zijn hoofd heeft gehangen, dat hij daarvan hinder heeft ondervonden en dat daaraan financiële gevolgen moeten worden verbonden. De Raad vat deze stellingname op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het Dagelijks Bestuur heeft tegengesproken dat sprake is van schending van een redelijke termijn, waarbij er op is gewezen dat te rekenen vanaf de datum van het oorspronkelijke besluit van 25 maart 2005 tot de nadere besluitvorming naar aanleiding van de meergenoemde uitspraak van de Raad ruim drie jaar is verlopen. Naar de mening van het Dagelijks Bestuur moet mede in aanmerking worden genomen dat na de uitspraak van de Raad eerst de bestuurlijke bevoegdheden binnen het kader van de Gemeenschappelijke Regeling van de Regionale Sociale Dienst Mergelland nader dienden te worden geregeld.

4.4.1. Hoewel de eerste hoger beroepsprocedure heeft geleid tot een herroeping van het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering en vervolgens een volledig nieuw besluitvormingstraject is gevolgd, merkt de Raad de procedure vanaf 25 maart 2005 aan als één procedure voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Daarbij betrekt de Raad dat in de vervolgprocedure sprake is van besluitvorming op basis van hetzelfde feitenmateriaal en wederom van een bestuursorgaan van de bij 4.4 genoemde gemeenschappelijke regeling, zij het thans van een tot beslissing bevoegd orgaan. In dit geval ziet de Raad geen redelijke grond om dit in dit kader anders te beoordelen dan in de situatie waarin het bestuursorgaan de opdracht heeft gekregen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.4.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991), is de Raad verder van oordeel dat in een geval als dit, waarin sprake is van een hernieuwde besluitvorming en van een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de gehele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

4.4.3. Vanaf de ontvangst door Pentasz op 6 april 2005 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn 5 jaar en (ruim) een maand verstreken. De Raad ziet in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, of in de opstelling van appellant geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad acht verlenging van die termijn ook niet gerechtvaardigd op grond van de omstandigheid dat, na de meergenoemde uitspraak van de Raad, alvorens een nieuw besluit kon worden genomen eerst de bevoegdhedenstructuur van de gemeenschappelijke regeling diende te worden gewijzigd. Die grondslag had van aanvang af immers al deugdelijk moeten zijn. Daarbij betrekt de Raad verder, onder verwijzing naar onderdeel 1.5, dat het onderhavige geschil in de vorige procedure al definitief had kunnen worden beslecht door reparatie van het geconstateerde bevoegdheidsgebrek.

4.4.4. De overschrijding van de redelijke termijn komt derhalve uit op ruim een jaar. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen steeds (ruim) minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De overschrijding komt derhalve in haar geheel voor rekening van het bestuursorgaan. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken.

4.4.5. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van drie maal € 500,--, dat is € 1.500,--.

4.4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren en het besluit van 14 oktober 2008 zal vernietigen. Uit hetgeen in onderdeel 4.3 is overwogen volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. De Raad zal het Dagelijks Bestuur veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.500,--.

6. De Raad ziet aanleiding het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 693,20,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,--;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.337,20, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

AV