Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
08-6954 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft geen aanleiding mogen zien om per kerende post tot kennelijke ongegrondverklaring van het bezwaar te besluiten. De minister was er immers van op de hoogte dat appellant wel degelijk ook inhoudelijk bezwaar had tegen zijn ontslag, waarmee een einde kwam aan een jarenlang bestaand dienstverband. Het ontslagbesluit is niet aangetekend verzonden en appellant heeft dit besluit ontvangen op een tijdstip gelegen zes weken na de datering van dat besluit. Appellant heeft daarom in zijn bezwaarschrift in de eerste plaats aandacht willen besteden aan de tijdigheid van de indiening van dat bezwaar. De minister had niet mogen afzien van het houden van een hoorzitting. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6954 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2008, 07/2543 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.drs. Chr.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

1.1. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst in groepsfunctie C. Bij besluit van 18 juni 2007 is aan hem, met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijks-ambtenarenreglement eervol ontslag verleend, vanwege - kort gezegd - een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk, zodat een verdere vruchtbare samenwerking niet meer te verwachten viel.

1.2. Appellant heeft hiertegen bij brief van 1 augustus 2007, blijkens stempel ontvangen op 6 augustus 2007, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 augustus 2007 is dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. In zijn bezwaarschrift heeft appellant twee gronden aangevoerd, te weten dat hij het ontslagbesluit eerst op 21 juli 2007, samen met een brief van de minister van 20 juli 2007 heeft ontvangen en ten tweede dat het besluit geen bezwaarclausule bevat. In het bestreden besluit, dat uitgaat van de ontvankelijkheid van appellants bezwaar, is daarover geconstateerd dat die gronden niet meebrengen dat het besluit nietig dan wel vernietig-baar is. In het verweerschrift is toegelicht dat het bezwaarschrift volgens de minister voldoende concrete gronden bevatte, zodat geen aanleiding bestond om toepassing te geven aan artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu deze gronden evenwel duidelijk niet konden leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar is afgezien van een hoorzitting en is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak, waarin ambtshalve de vraag of het bezwaar van appellant ontvankelijk was bevestigend is beantwoord, is de zienswijze van de minister onderschreven.

3.2. Van de zijde van appellant is verklaard dat zijn bezwaarschrift weliswaar een tweetal gronden bevatte die betrekking hadden op de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, maar daarvoor bestond ook alle aanleiding gezien de datering van het ontslagbesluit en de ontvangst door appellant daarvan. Uit het instellen van het bezwaar als zodanig kon de minister afleiden dat appellant het niet eens was met zijn ontslag. Ook was de minister bekend met de inhoudelijke bezwaren daartegen, omdat appellant tegen het voornemen hem ontslag te verlenen een schriftelijke zienswijze had ingebracht.

Appellant meent dat de minister onder die omstandigheden niet had mogen afzien van het houden van een hoorzitting.

3.3. De Raad deelt het standpunt van appellant dat de minister in de omstandigheid dat appellant in zijn bezwaarschrift slechts argumenten naar voren heeft gebracht die zien op de ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift geen aanleiding heeft mogen zien om per kerende post tot kennelijke ongegrondverklaring van dat bezwaar te besluiten. De minister was er immers van op de hoogte dat appellant wel degelijk ook inhoudelijk bezwaar had tegen zijn ontslag, waarmee een einde kwam aan een jarenlang bestaand dienstverband. De minister heeft voorts het ontslagbesluit niet aangetekend verzonden en appellant heeft dit besluit ontvangen op een tijdstip gelegen zes weken na de datering van dat besluit. Vanzelfsprekend heeft appellant daarom in zijn bezwaarschrift in de eerste plaats aandacht willen besteden aan de tijdigheid van de indiening van dat bezwaar. Onder die omstandigheden acht de Raad het bestreden besluit niet alleen onbehoorlijk, maar ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was geen sprake en de minister had niet mogen afzien van het houden van een hoorzitting.

4. Het bestreden besluit kan dus geen standhouden evenmin als de aangevallen uitspraak waarin het bovenstaande niet is onderkend. De minister zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen, opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellant.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-;

Bepaalt dat de minister het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

HD