Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
09-5044 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. De door appellante naar voren gebrachte ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellante behoorde heeft ervaren ten gevolge van de onlusten gedurende de Bersiap-periode heeft niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5044 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 juli 2009, kenmerk

BZ 9115, JZ/W60/2009, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 19 mei 2009, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wubo, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld.

2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Daartoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct

verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen

door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden

tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de

Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de

Bersiap-periode.

2.2. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de door appellante tevens naar voren gebrachte ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellante behoorde heeft ervaren ten gevolge van de onlusten gedurende de Bersiap-periode niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

2.3. Als specifieke oorlogservaring heeft appellante vooral naar voren gebracht een huisarrest van twee weken dat het gezin in oktober 1945 werd opgelegd door de extremisten, waarna appellante zelf werd ondergebracht bij Indonesische verwanten en moeder en twee andere kinderen werden geïnterneerd in Dinojo en Patjit.

2.4. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven en algemene historische documenten alsmede bij verweerster bekende dossiers van familieleden en ingebrachte getuigenverklaringen in aanmerking zijn genomen, is geen onafhankelijke bevestiging gevonden van het genoemde huisarrest. Weliswaar heeft ook de (reeds geruime tijd overleden) moeder van appellante bij haar eigen aanvraag over een huisarrest gesproken, maar niet over de omstandigheden waaronder dit heeft plaats-gevonden, terwijl de in 1940 geboren zuster van appellante bij haar aanvraag weer geen melding daarvan heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan de Raad niet onjuist oordelen dat verweerster dit gestelde huisarrest niet als een oorlogscalamiteit in de zin van de Wubo heeft willen aanvaarden. Verder blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens duidelijk dat appellante hierna ter verzorging is ondergebracht bij Indonesische verwanten. Ook hierin is niet een oorlogscalamiteit in de zin van de Wubo te zien.

3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de Bersiap-periode aan angstige omstandigheden heeft blootgestaan. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M.A. van Amerongen.

HD