Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
09-3536 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Geen nieuwe feiten en omstandigheden om de eerdere besluiten te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3536 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 mei 2009, kenmerk BZ 8847, JZ/H60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren op 24 december 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, in december 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens de Bersiap-periode met het gezin waartoe hij behoorde door Brits-Indische militairen is geëvacueerd van de ouderlijke woning aan de Drossaertweg naar het 10e Bataljon te Batavia en dat deze evacuatie heeft plaatsgevonden onder levensbedreigende omstandigheden en voorts dat hij is geïnterneerd in kamp Mendjangan oftewel de Muloschool.

1.2. Bij besluit van 16 september 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2003, heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen, aangezien niet was voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wubo gestelde voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, omdat niet is gebleken dat appellant is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld. Een door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 6 januari 2005, nr. 03/6537 WUBO, ongegrond verklaard.

1.3. In mei 2005 heeft appellant zich tot verweerster gewend met een verzoek om herziening en heeft hij verzocht hem alsnog te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Dit verzoek is bij besluit van 30 juni 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2005, afgewezen op grond van de overweging dat appellant in het kader van zijn verzoek om herziening geen van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Het beroep van appellant tegen dit besluit is bij uitspraak van deze Raad van 22 maart 2007, nr. 05/6691 WUBO, ongegrond verklaard.

1.4. In november 2008 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend waarop bij besluit van 5 januari 2009 afwijzend is beslist. Het door appellant tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Naar verweerster terecht heeft overwogen dient het verzoek van appellant van november 2008 te worden aangemerkt als een tweede verzoek om herziening als bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Wubo. Ingevolge deze bepaling is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedaan verzoek een eerder door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. De toetsing draagt te meer een terughoudend karakter nu het hier een herhaald verzoek om herziening betreft.

2.2. Voor verweerster staat bij een verzoek om gebruik te maken van de haar in artikel 61, derde lid, van de Wubo gegeven bevoegdheid de vraag centraal of bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

2.3. Appellant heeft bij het thans in geding zijnde herzieningsverzoek een aantal getuigenverklaringen overgelegd, waarin vermeld is dat hij, gedurende de Bersiap-periode, samen met andere kinderen, getuige is geweest van de moord op een inlander.

2.4. Verweerster heeft, bij de beoordeling van het in geding zijnde tweede verzoek om herziening, de bij haar aanwezige dossiers van de getuigen geraadpleegd. Daarbij bleek dat drie getuigenverklaringen inconsistent zijn met de door die getuigen eerder - in het kader van hun eigen aanvraag - afgelegde verklaringen. Ook in de dossiers van de andere getuigen - waarvan er enkele al reeds betrokken waren bij de beoordeling van het eerdere herzieningsverzoek in 2005 - werden geen gegevens aangetroffen die bevestigen dat appellant direct betrokken is geweest bij het in de verklaringen vermelde oorlogsgeweld. In het licht hiervan achtte verweerster de door appellant thans ingebrachte getuigenver-klaringen onvoldoende overtuigend en daarom niet aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.2 weergegeven.

2.5. Gegeven de door de Raad te hanteren, zeer terughoudende toets en gelet op hetgeen door verweerster is overwogen met betrekking tot de door appellant overgelegde getuigenverklaringen, is de Raad tot de slotsom gekomen dat niet kan worden gezegd dat verweerster zich in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt kon en mocht stellen dat geen nieuwe relevante gegevens zijn overgelegd op grond waarvan zij gehouden was haar eerdere besluiten te herzien.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond verklaard te worden.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M.A. van Amerongen.

HD