Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08-6051 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant behoort niet tot de doelgroep sociale werkvoorziening. Het medisch onderzoek is op voldoende zorgvuldige wijze. De gestelde verergering van zijn klachten zijn niet onderbouwd. Niet aannemelijk is gemaakt dat het mislukken van de re-integratie was aan lichamelijke en/of psychische en/of verstandelijke beperkingen die van dien aard waren dat daarmee uitsluitend nog binnen Wsw-verband gewerkt zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6051 WSW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 september 2008, 07/448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, (hierna: raad van bestuur)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Almelo. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door R.K. Nai-Chung-Tong, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (hierna: Uwv).

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Stb. 2008, 600, de Raad van bestuur van het Uwv in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de raad van bestuur van de CWI.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft de raad van bestuur afwijzend beslist op het verzoek van appellant te bepalen dat hij behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat appellant in staat is passende arbeid te verrichten met behulp van noodzakelijke aanpassingen, die buiten de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gerealiseerd kunnen worden in een overigens normale werkomgeving. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2007 (bestreden besluit).

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het standpunt van de raad van bestuur berust op de rapportage van de bedrijfsarts, die na dossieronderzoek, waaronder een arbeidsgeschiktheidsonderzoek van 22 november 2004 van AOB Compaz, anamnese en lichamelijk onderzoek, beperkingen ten aanzien van de fysieke en psychische belasting heeft vastgesteld. De fysieke beperkingen houden voornamelijk verband met heup-, rug- en rechterduimklachten, de psychische beperkingen houden verband met gevoeligheid voor hoge werkdruk. Informatie van de behandelende sector, waaronder de specialisten bij wie appellant tot ongeveer 2004 onder behandeling is geweest, is door de bedrijfsarts niet ingewonnen omdat er zijns inziens voldoende informatie beschikbaar was om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant is aangewezen op fysiek niet zwaar werk zonder hoge werkdruk met een voorspelbaar karakter, waarbij rekening wordt gehouden met de rugklachten en waarbij heupbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hij acht appellant in de regel goed in staat tot zittend werk dat afgewisseld wordt met lopen en staan. De handbeperking heeft geen grote gevolgen voor zijn handvaardigheid. Er zijn naar het oordeel van de arbeidsdeskundige voor appellant voldoende reguliere arbeidsmogelijkheden die passen bij zijn belastbaarheid.

3.2. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen is ook de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze is geschied. De in bezwaar door appellant ingebrachte informatie, afkomstig van zijn huisarts acht de Raad, anders dan appellant, niet met de onder 3.1 genoemde rapportages in tegenspraak. Voorts heeft appellant weliswaar aangevoerd dat zijn klachten ten opzichte van het jaar 2004 zijn verergerd, maar hij heeft geen andersluidende (medische) rapporten in het geding gebracht die zijn opvatting ondersteunen en die twijfel doen rijzen aan de uitkomsten van het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige aan te wijzen.

3.3. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de omstandigheid, dat hij een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, mede gelet op de nota van toelichting bij het besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken (Stb. 2004, 491) wel degelijk een rol dient te spelen bij de beoordeling van het indicatieverzoek, overweegt de Raad met verwijzing overigens naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, dat dit, daargelaten of die stelling juist is, een werkloosheidsprobleem vormt en niet betekent dat appellant uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zou zijn en daarom tot de Wsw-doelgroep zou behoren.

3.4. Wat betreft de opmerking van appellant dat het ook met behulp van het re-integratiebureau Transferra niet gelukt is een betaalde baan op de reguliere arbeidsmarkt te vinden, overweegt de Raad dat dit gegeven onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat appellant uitsluitend arbeid in Wsw-verband zou kunnen verrichten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het mislukken van zijn re-integratie in de periode van augustus 2005 tot en met januari 2007 te wijten was aan lichamelijke en/of psychische en/of verstandelijke beperkingen die van dien aard waren dat daarmee uitsluitend nog binnen Wsw-verband gewerkt zou kunnen worden.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

HD