Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08-5317 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Een registeraccountant is weliswaar onafhankelijk maar heeft zich als ambtenaar ook te voegen naar de opdrachten en zienswijzen van leidinggevenden. Dat de verstoorde verhoudingen uitsluitend het gevolg zijn van de melding van het vermoeden van een misstand acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. De verhoudingen zijn immers al op scherp gezet door de gebeurtenissen in 2004 rondom de egalisatierekening, als gevolg waarvan appellant situatief arbeidsongeschikt was geworden. De terugkeermogelijkheid staat in dit geval niet in de weg aan het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen. Het aandeel van de minister in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven is niet van dien aard geweest dat een hogere uitkering dan is gegeven aangewezen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5317 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 28 juli 2008, 07/4012 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. Witte-van den Haak, advocaat te ’s-Gravenhage, en A. Schuurman, werkzaam bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: ministerie).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, registeraccountant, was sinds 1989, afgezien van een kleine onderbreking, werkzaam in dienst van het ministerie, laatstelijk als senior auditor bij de Auditdienst.

1.2. In 2004 heeft appellant de controle gekregen over de jaarrekening van de Rijksgebouwendienst (hierna: Rgd). Medio 2004 is een verschil van inzicht ontstaan tussen appellant enerzijds en zijn leidinggevenden en collega’s anderzijds over de opname van de egalisatierekening in de jaarrekening van de Rgd. Volgens appellant was die opname niet in overeenstemming met de eisen van getrouwheid met als gevolg dat hij, met een beroep op zijn persoonlijke onafhankelijkheid als accountant, zijn medewerking daar niet aan wilde verlenen. Daarop is aan appellant de opdracht verstrekt om de opname van de egalisatierekening in de jaarrekening van de Rgd te onderbouwen op dezelfde wijze als dat in de jaarrekeningen vanaf 1999 was geschied. Appellant heeft gehoor gegeven aan deze opdracht, maar heeft nadien zijn visie over de jaarrekening van de Rgd op schrift gesteld, onder collega’s verspreid en aan medewerkers van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) kenbaar gemaakt. In een gesprek met zijn leidinggevende heeft appellant woorden gebruikt als “boekhoudfraude”, een vergelijking gemaakt met landelijk bekende boekhoudschandalen en aangekondigd om na afronding van de controle 2004 de publiciteit te zoeken in de vorm van pers, klokkenluider, politiek of tuchtrechter.

1.3. In februari 2005 heeft appellant zich ziek gemeld en vanaf dat moment is appellant situationeel arbeidsongeschikt geacht wegens het bestaan van een arbeidsconflict. Partijen hebben wederzijds het vertrouwen opgezegd. Bij brief van 8 maart 2005 heeft appellant melding gedaan van een vermoeden van misstand. Nadat appellant aanvankelijk van die melding heeft afgezien, heeft hij die naderhand weer laten herleven. De melding heeft uiteindelijk geleid tot het oordeel dat het vermoeden van een misstand niet terecht was. Vanaf 23 mei 2005 is appellant op basis van detachering werkzaam geweest buiten het ministerie. In augustus 2005 is appellant volledig arbeidsongeschikt geworden.

1.4. Vanaf november 2005 hebben partijen gesproken over re-integratie van appellant en heeft appellant in het kader daarvan werkzaamheden verricht voor de Auditdienst. Na enkele weken heeft de bedrijfsarts appellant wederom situatief arbeidsongeschikt verklaard. Partijen hebben vervolgens wederom gezocht naar een andere werkplek voor appellant en onderhandeld over een vertrekregeling.

1.5. In juni 2006 zijn de onderhandelingen over een vertrekregeling gestaakt en heeft appellant aangekondigd te zullen hervatten in zijn functie bij de Auditdienst. In reactie daarop heeft de minister appellant met ingang van 21 juni 2006 buitengewoon verlof van korte duur verleend met behoud van bezoldiging. Op die datum heeft de bedrijfsarts appellant volledig, ook situatief, hersteld verklaard, met de vermelding dat sprake was van een arbeidsconflict en verstoorde arbeidsverhoudingen. Het buitengewoon verlof is nadien omgezet in een schorsing in het belang van de dienst.

1.6. Bij besluit van 14 september 2006 is aan appellant op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), ingaande 1 januari 2007, eervol ontslag verleend wegens verstoorde verhoudingen. Bij besluit van 3 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het ontslag ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft betwist dat sprake was van verstoorde verhoudingen met zijn leidinggevenden. De Raad is echter met de rechtbank van oordeel dat die verstoring voldoende duidelijk blijkt uit de gedingstukken en ook bevestiging vindt in de adviezen van de bedrijfsarts. De Raad neemt daarbij in aanmerking de zware beschuldigingen die appellant heeft geuit jegens collega’s en jegens de organisatie. Appellant heeft in dat verband gewezen op zijn onafhankelijke positie als registeraccountant en op zijn gehoudenheid aan de gedrags- en beroepsregels van het NIVRA. Het een en ander brengt echter niet met zich dat beschuldigingen als door appellant geuit geen gevolgen zouden kunnen hebben voor de arbeidsrelatie, te meer daar de beschuldigingen kennelijk buiten proportie waren. Behalve registeraccountant is appellant ook een ambtenaar die zich moet voegen naar de opdrachten en zienswijzen van zijn leidinggevenden. Daarvan is appellant zich niet altijd voldoende bewust geweest.

3.2. Dat de verstoorde verhoudingen uitsluitend het gevolg zijn van de melding van het vermoeden van een misstand acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. De verhoudingen zijn immers al op scherp gezet door de gebeurtenissen in 2004 rondom de egalisatie-rekening, als gevolg waarvan appellant situatief arbeidsongeschikt was geworden. De melding is pas gedaan in 2005, nadat partijen het vertrouwen in elkaar hadden opgezegd.

Op grond hiervan kan niet worden staande gehouden dat appellant in verband met zijn melding niet had mogen worden ontslagen op de gebruikte grond.

3.3. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat hij er op mocht vertrouwen dat hem geen ontslag zou worden verleend vanwege de gegeven terugkeergarantie. In diverse stukken van de zijde van de minister is melding gemaakt van terugkeer van appellant op zijn werkplek na detachering of als geen andere werkplek gevonden zou worden, zonder dat dit overigens als garantie werd aangeduid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze terugkeermogelijkheid moet worden gezien in het licht van de re-integratie van appellant en betrekking had op zijn rechtspositie, in die zin dat appellant in die periode formeel bleef aangesteld in zijn eigen functie. Die terugkeermogelijkheid kan dan ook niet in de weg staan aan het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen.

3.4. Appellant heeft voorts gesteld dat de uitkering die aan het ontslag is verbonden niet redelijk is te achten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 mei 2001, LJN AD 3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een uitkeringsregeling op het niveau van de reguliere uitkeringen in geval van werkloosheid onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat de minister een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag aanleiding heeft gegeven, of indien gezegd zou moeten worden dat de minister met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven het niveau van een reguliere ontslaguitkering, niet redelijk heeft kunnen achten.

3.5. De minister heeft geen aanleiding gezien voor het verlenen van een hogere uitkering omdat hij meent geen overwegend aandeel te hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen.

De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunt kunnen vinden voor de juistheid van de stelling van appellant dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhoudingen is toe te schrijven aan de wijze waarop de dienstleiding met de melding van het vermoeden van misstand is omgegaan en dat de verdere polarisatie daarvan, leidend tot het ontslagbesluit, zijn oorzaak vindt in falend management, machtsmisbruik en intimidatie van de dienstleiding. Zoals in 3.2 is vastgesteld, is de arbeidsverhouding al verstoord geraakt voordat appellant zijn melding van vermoeden van misstand voor het eerst had gedaan.

De Raad is voorts van oordeel dat appellant, door vanuit de situatie van situatieve arbeidsongeschiktheid en het zoeken naar een andere werkplek plotsklaps en zonder enig overleg aan te kondigen dat hij zou terugkeren op zijn eigen werkplek de zaak onnodig op scherp heeft gezet, waardoor de minister zich gedwongen zag tot actie over te gaan. Appellant heeft desgevraagd aangegeven dat hij zichzelf niet meer arbeidsongeschikt achtte en dacht het conflict wel te kunnen hanteren, maar daarbij ging hij er aan voorbij dat de andere partij in het conflict daar geheel anders over kon denken, en - naar is gebleken - ook dacht. Appellant heeft er daarbij opnieuw blijk van gegeven dat hij zijn eigen positie niet juist inschatte.

De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het aandeel van de minister niet van dien aard is geweest dat een hogere uitkering dan is gegeven aangewezen was.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

HD