Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
09-545 WWB + 09-6265 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Geen dringende reden. Geen grond voor het oordeel dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor appellante heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/545 WWB

09/6265 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2008, 08/838 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek ter zitting in het geding met registratienummer 08/681 WWB, plaatsgevonden op 6 april 2010. Voor appellante is verschenen mr. Haring. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 15 november 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 6 september 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 3 augustus 2005 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat is gebleken dat zij vanaf 3 augustus 2005 een gezamenlijke huishouding voert met [V/d N.]. De bezwaren tegen het besluit van 6 september 2005 heeft het College bij besluit van 16 mei 2006 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 16 mei 2006 is ongegrond verklaard bij de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2007. In hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van 12 december 2007 bij uitspraak van heden (08/681 WWB) bevestigd.

1.3. Bij besluit van 8 november 2005 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 2003 tot en met 31 augustus 2005 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 8 november 2005 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van

18 mei 2006 is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard, nadat het College dit besluit ter zitting van die rechtbank had ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 8 november 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat alleen de kosten van bijstand over de periode van 3 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2005 worden teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconstateerd dat uit het besluit van 5 februari 2008 niet blijkt welk bedrag het College heeft teruggevorderd, maar dat ter zitting door de gemachtigde van het College is aangegeven dat het College een bedrag van € 648,-- terugvordert en dat hier nog een afzonderlijk besluit over zal worden genomen. De rechtbank heeft overwogen dat het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen hoefde te zien om van terugvordering af te zien.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het College het terug te vorderen bedrag over de periode van 3 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2005 bepaald op € 982,83 (bruto).

De Raad merkt dit besluit, waarmee niet geheel aan het bezwaar van appellante tegemoet wordt gekomen, aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling dient te worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad heeft in de uitspraak van heden met registratienummer 08/681 geoordeeld dat appellante en [V/d N.] een gezamenlijke huishouding voerden met ingang van 3 augustus 2005, zodat het hoger beroep tegen de intrekking van de bijstand per die datum niet slaagt. Ter zitting van de Raad is namens appellante naar voren gebracht dat, indien de gezamenlijke huishouding van appellante en [V/d N.] per 3 augustus 2005 komt vast te staan, het geschil in het onderhavige geval zich beperkt tot het antwoord op de vraag of het College wegens dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. Daarbij tekent de Raad aan dat appellante geen beroepsgrond heeft gericht tegen de getrapte besluitvorming met betrekking tot de terugvordering over de thans nog in geding zijnde periode.

5.2. Appellante heeft aangevoerd dat de gang van zaken rond de terugvordering, waarbij aanvankelijk sprake was van een veel hoger terugvorderingsbedrag - voor welk bedrag [V/d N.] aanvankelijk ook mede aansprakelijk was gesteld - tot gevolg heeft gehad dat [V/d N.] van haar heeft verlangd dat zij de woning zou verlaten. Daardoor is tevens haar schuldenlast vergroot.

5.3. Het College voert met betrekking tot terugvordering het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien, indien - voor zover hier van belang - daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden om van terugvordering van het thans nog aan de orde zijnde bedrag af te zien. Met name ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat deze terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor appellante heeft. De Raad ziet evenmin voldoende grondslag voor het oordeel dat het College in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

5.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 maart 2009 ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.E.V. Lenos als leden en R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

AV