Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
07-6983 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. De overgelegde e-mailberichten niet zijn aan te merken als feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Uit de gedingstukken, meer in het bijzonder uit de pleitnota van de gemachtigde van verzoekster ter zitting van de Raad van 14 december 2006, onder punt 42 op pagina 18, leidt de Raad af dat ook toen al bekend was dat de getuigen per e-mail namens het college waren benaderd om niet als getuige te verschijnen. Uit de tekst van de thans overgelegde e-mailberichten blijkt dat de getuigen is afgeraden om aan de oproep om ter zitting te verschijnen gehoor te geven. Hoewel de e-mailberichten zelf niet tot de gedingstukken behoorden was de inhoud daarvan dus wel bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6983 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van

[verzoekster], (hierna verzoekster)

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, 04/253, op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 januari 2004, 02/2806,

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: college)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij brief van 7 december 2007 verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak.

Het college heeft op het verzoekschrift gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 april 2010, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door [naam echtgenoot verzoekster], echtgenoot van verzoekster. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Elgersma, advocaat te Groningen en door mr. C.J. Noordzij, werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.1. Verzoekster was werkzaam bij het Instituut Slavische Talen en Culturen van de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen, laatstelijk als docente Russisch. Naar aanleiding van aanhoudende kritiek op haar functioneren en het door haar gegeven onderwijs heeft een personeelsbeoordeling plaatsgehad. Met de uitkomst van de beoordeling en de daarna gevolgde procedure was verzoekster het niet eens en zij is zich daartegen blijven verzetten. Dit heeft het faculteitsbestuur uiteindelijk tot de slotsom gebracht dat verdere samenwerking met verzoekster niet mogelijk was, waarna het faculteitsbestuur haar bij het college heeft voorgedragen voor ontslag.

2.2. In opdracht van het college heeft prof. dr. S.K. Kuipers een onderzoek verricht. Daarna heeft prof. dr. H.L.M. Hermans een haalbaarheidsonderzoek verricht naar de conclusies van het onderzoek van prof. dr. Kuipers. Dit heeft ertoe geleid dat verzoekster bij besluit van 19 januari 2001 met ingang van 1 mei 2001 eervol ontslag is verleend wegens ernstige verstoring van de arbeidsverhoudingen. Aan verzoekster is een uitkering toegekend. Daarnaast is zij ontheven van de sollicitatieplicht en is haar een vergoeding voor immateriële schade toegekend van f. 40.000,- bruto. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juni 2002 ongegrond verklaard, onder verhoging van de toegekende schadevergoeding tot een bedrag van f. 54.867,- (€ 24.897,56) bruto. Bij uitspraak van 6 januari 2004 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.3. Verzoekster is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij de uitspraak van 8 februari 2007 waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van door verzoekster aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3.1. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift gesteld dat de Raad in zijn beoordeling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat het college de rapporten van Hermans en Kuipers geheim heeft gehouden en daarmee ten onrechte een verkeerd beeld van verzoekster in stand heeft gelaten. Voorts had de Raad de geanonimiseerde getuigen- verklaringen waarop beide rapporten zijn gebaseerd niet mogen gebruiken nu de inhoud daarvan zodanig kwetsend, beledigend en schofferend is, dat sprake is van strijd met artikel 10 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verzoekster had deze verklaringen willen weerleggen door op 14 december 2006 ter zitting van de Raad vragen te stellen aan de door haar opgeroepen getuigen, maar het stond de opgeroepen getuigen niet vrij om te verschijnen, hetgeen uit de nu door verzoekster overgelegde e-mails blijkt. Verzoekster is van mening dat deze e-mails als novum moeten worden aangemerkt. Indien bij de Raad bekend was geweest dat deze getuigen wel degelijk, zoals verzoekster had gesteld, onder druk zijn gezet, zou de Raad niet hebben overwogen dat verzoekster haar stelling niet heeft onderbouwd en zou hij alsnog ambtshalve getuigen hebben opgeroepen, waarna zou blijken dat het rapport Hermans niet op een zorgvuldig onderzoek berust. Dit zou ernstige twijfel doen rijzen aan de juistheid van het gegeven ontslag, zodat een nieuw onderzoek gerechtvaardigd zou zijn.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2. De Raad is van oordeel dat de overgelegde e-mailberichten niet zijn aan te merken als feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Uit de gedingstukken, meer in het bijzonder uit de pleitnota van de gemachtigde van verzoekster ter zitting van de Raad van 14 december 2006, onder punt 42 op pagina 18, leidt de Raad af dat ook toen al bekend was dat de getuigen per e-mail namens het college waren benaderd om niet als getuige te verschijnen. Uit de tekst van de thans overgelegde e-mailberichten blijkt dat de getuigen is afgeraden om aan de oproep om ter zitting te verschijnen gehoor te geven. Hoewel de e-mailberichten zelf niet tot de gedingstukken behoorden was de inhoud daarvan dus wel bekend. Dit betekent dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Awb.

3.3. Voor zover de door verzoekster naar voren gebrachte argumenten de strekking hebben op inhoudelijke gronden de juistheid van de uitspraak van de Raad in twijfel te trekken overweegt de Raad dat volgens vaste rechtspraak het bijzondere middel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. Het verzoek om herziening moet om die reden worden afgewezen.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en B.M. van Dun en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) W. Altenaar.

HD