Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-1170 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rapport deskundige. Herziening en intrekking WAO-uitkering: geen sprake van een verminderde belastbaarheid als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Het staat een verzekeringsarts vrij om op basis van na eigen onderzoek verkregen bevindingen en nieuwe medische informatie, per een latere datum, een nieuwe beoordeling te maken. De grief van appellant dat niet mocht worden afgeweken van de FML van 22 december 2005 slaagt niet. Zorgvuldige medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1170 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 februari 2009, 08/639 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als voorman-timmerman toen hij zich op 14 augustus 2001 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van psychische klachten. Voorafgaande aan de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ontving appellant met ingang van 18 maart 2006 een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met het beroep van appellant tegen de vaststelling van deze mate van arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank destijds psychiater dr. B.J. van Eyk als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 17 januari 2007 heeft Van Eyk uiteengezet - kort samengevat - dat de problematiek van appellant gezien moet worden vanuit zijn persoonlijkheid en niet vanuit een psychiatrische ziekte in engere zin.

2.1. De deskundigenrapportage van Van Eyk heeft het Uwv aanleiding gegeven voor de in geding zijnde herbeoordeling ingevolge de WAO. Een verzekeringsarts heeft appellant op 20 maart 2007 onderzocht, heeft dossierstudie verricht en is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een verminderde belastbaarheid als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

2.2. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 24 juli 2007 ingetrokken.

2.3. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 9 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de ter beschikking staande medische gegevens de conclusie rechtvaardigen dat er bij appellant geen op ziekte of gebreken terug te voeren objectieve beperkingen zijn vast te stellen. Naast de rapportages van de verzekeringsartsen wijst de rechtbank daarbij op het rapport van psychiater Van Eyk van 17 januari 2007. Deze is tot de conclusie gekomen dat er ook ten tijde van het uitbrengen van het rapport geen beperkingen zijn vast te stellen die naar algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken. Er zijn geen stoornissen op het niveau van lichamelijk en/of geestelijk functioneren. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 mei 2007, procedurenummer 06/2059, destijds geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige voor onjuist te houden. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank geen gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen en de deskundige. Daarnaast staat het naar het oordeel van de rechtbank een verzekeringsarts vrij om op basis van na eigen onderzoek verkregen medische informatie, per een andere latere datum, een eigen beoordeling te maken.

4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Hij herhaalt in hoger beroep zijn gronden in beroep. Volgens appellant heeft psychiater Van Eijk op 17 januari 2007 gerapporteerd dat hij zich met de destijds vastgelegde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 december 2005 kan verenigen.

De rechtbank heeft dit oordeel in haar uitspraak van 24 mei 2007 overgenomen. Tegen deze uitspraak is door het Uwv geen hoger beroep ingesteld, zodat naar mening van appellant, het Uwv thans geen recht meer heeft om in de besluiten van 23 mei 2007 en 9 januari 2008 het standpunt in te nemen dat er geen sprake (meer) zou zijn van een ziekte of gebrek.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In hoger beroep zijn nagenoeg dezelfde gronden aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft de gronden die in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen.

De Raad onderschrijft de overwegingen van rechtbank volledig en verwijst hiernaar.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het een verzekeringsarts vrij staat om op basis van na eigen onderzoek verkregen bevindingen en nieuwe medische informatie, per een latere datum, een nieuwe beoordeling te maken. De grief van appellant dat niet mocht worden afgeweken van de FML van 22 december 2005 slaagt niet. De medische beoordeling door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad zorgvuldig plaatsgevonden. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen hun conclusies met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding mede hebben kunnen baseren op het deskundigenrapport van Van Eyk. Inmiddels heeft ook de Raad in zijn uitspraak van 30 januari 2009, LJN BH2375, de conclusies van de deskundige onderschreven.

De Raad is dan ook evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden de WAO-uitkering van appellant per 24 juli 2007 heeft ingetrokken.

5.3. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM