Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08-5575 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-pensioen omdat appellante wegens verblijf in buitenland niet verzekerd is geweest. Niet is gebleken dat appellante in de periode van februari 1979 tot november 1983 in Nederland woonachtig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5575 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2008, 07/3287 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft de Raad nog nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde een nadere vraag te stellen aan de Svb. De Svb heeft deze vraag beantwoord bij brief van 15 februari 2010. Appellante heeft nog een reactie aan de Raad doen toekomen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 februari 2004 heeft de Svb aan appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend waarop een korting van 20% is toegepast omdat appellante gedurende tien jaar niet verzekerd is geweest.

1.2. Bij besluit van 14 maart 2005 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellante herzien omdat gebleken is dat appellante gedurende 15 jaar niet verzekerd is geweest. Hierdoor ontvangt appellante vanaf maart 2005 70% van het volledige AOW-pensioen. De Svb heeft hierbij de volgende perdioden als niet-verzekerde tijdvakken in aanmerking genomen:

A. van 22 oktober 1970 tot en met 14 mei 1976 omdat appellante woonachtig was in België;

B. van 2 november 1976 tot en met 31 maart 1978 omdat appellante werkzaam en verzekerd was in België;

C. van 15 februari 1979 tot en met 30 november 1983 omdat appellante woonachtig was in Spanje;

D. van 1 januari 2000 tot en met 27 april 2003 omdat appellante woonachtig was in Spanje.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de door de Svb in aanmerking genomen verzekerde tijdvakken. Volgens appellante is zij in de periode van 22 oktober 1970 tot en met 30 november 1983 verzekerd geweest voor de AOW en voorts heeft zij abusievelijk nagelaten zich vrijwillig te verzekeren gedurende de jaren 2000 tot 27 april 2003.

1.4. De Svb heeft bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 18 juni 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Svb op basis van de opgave van de Gemeente Son en Breugel en de Rijksinspectie der Bevolkingsregisters terecht heeft aangenomen dat appellante in periode A niet in Nederland woonachtig was en om die reden ook niet verzekerd was voor de AOW. In periode B werkte appellante in België en was zij volgens opgave van de Rijksdienst voor Pensioenen te Brussel voor die werkzaamheden verzekerd in België. Hierdoor kon appellante - ook al was zij woonachtig in Nederland - op grond van het EG-recht niet verzekerd zijn in Nederland voor de AOW. Wat betreft periode C is uit de stukken gebleken dat appellante naar Spanje is verhuisd en om die reden niet verzekerd was voor de AOW. Met betrekking tot periode D heeft de rechtbank overwogen dat appellante zich tot de Svb kan wenden als zij zich alsnog vrijwillig wenste te verzekeren. Gezien een telefoonnotitie uit 2005 waarin de mogelijk positieve gevolgen van het arrest Van Pommeren-Bourgondiën voor appellante zijn besproken is aan de Svb meegegeven dat zij zich dient te buigen over de vraag of de aanmeldingstermijn aan appellante kan worden tegengeworpen.

3. In hoger beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar stelling dat zij in de periode van 15 februari 1979 tot en met 30 november 1983 wel verzekerd moet worden geacht voor de AOW een brief d.d. 3 november 2008 van de Administracion General del Estado, bureau voor buitenlanders in Alicante, overgelegd waarin is aangegeven dat appellante gedurende de periode van 15 februari 1979 tot en met 31 december 1983 “no residente” was in Spanje.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Ook de Raad is van oordeel dat appellante in de bovengenoemde perioden niet verzekerd kan worden geacht voor de AOW. Met betrekking tot hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad dat appellante op diverse gedingstukken heeft aangegeven dat zij in 1979 naar Spanje is vertrokken. Dit blijkt ook uit opgave van de gemeente Son en Breugel en de Rijksinspectie voor Bevolkingsregisters. Niet is gebleken dat appellante in de periode van februari 1979 tot november 1983 in Nederland woonachtig is geweest. Hieraan kan niet afdoen de in hoger beroep overgelegde verklaring van 3 november 2008 “no residente” omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellante gedurende de daarin genoemde periode in Nederland woonachtig was. In aansluiting op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de periode 2000 tot

28 april 2003 merkt de Raad nog op dat ter zitting van de Raad met de gemachtigde van de Svb is geconstateerd dat gezien de telefoonnotitie van 15 juli 2005 moet worden uitgegaan van een tijdig verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering in het licht van het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden over een periode gelegen voor 1 januari 2006 (KB 720).

4.2. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

KR