Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
09/2781 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling grondslag uitkering. Als de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten in enig boekjaar of kalenderjaar tot een negatief bedrag leidt, zal de winst en inkomsten op nihil worden gesteld. De WAZ en het Inkomensbesluit WAZ ontberen een compensatiemechanisme. Appellante komt in aanmerking voor vergoeding van wettelijke rente over de te late betaling.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 8
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/198
USZ 2010/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2781 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 april 2009, 08/424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Adviesgroep te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is vanaf 1978 medevennoot van een bakkerij. Sedert 1999 runt zij tevens een theeschenkerij en in 2001 heeft zij haar werkzaamheden uitgebreid met verkoop van Wellness-producten.

1.2. Vanwege sedert juli 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid is aan appellante met ingang van 15 juli 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Deze uitkering is met ingang van 5 oktober 2002 ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 25%.

1.3. Appellante heeft bij brief van 17 augustus 2006 het Uwv verzocht in aanmerking te komen voor een WAZ-uitkering vanwege toegenomen klachten. Bij besluit van 5 december 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WAZ-uitkering toe te kennen vanwege sedert 1 januari 2004 ingetreden arbeidsongeschiktheid, omdat zij op en na 29 januari 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 maart 2008, 07/531, heeft de rechtbank Assen het besluit van 4 mei 2007 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het Uwv zich dient uit te spreken over de gevraagde schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente.

1.4. Bij besluit van 18 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 mei 2007 alsnog gegrond verklaard en aan appellante met ingang van 29 januari 2004 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De grondslag van de uitkering is vastgesteld op € 49,87 bruto per uitkeringsdag. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat op grond van de artikelen 8, tweede lid, en 20, vierde lid, van de WAZ de grondslag gebaseerd dient te worden op de door appellante in de vijf boekjaren 1994 tot en met 1998 gemiddeld per dag in haar onderneming genoten winst, nu de winst over deze boekjaren tot een hogere grondslag leidt dan de winst op grond van het boekjaar 2003 dan wel de boekjaren 1999 tot en met 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de vaststelling door het Uwv van de grondslag van de toegekende uitkering op € 49,87 bruto per uitkeringsdag onderschreven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv de grondslag van de uitkering dient te baseren op alleen haar verdiensten uit de bakkerij over 2003. De andere ondernemingsactiviteiten leverden in dat boekjaar verlies op, zodat de (negatieve) inkomsten van deze activiteiten voor de grondslagberekening op nihil dienen te worden gesteld. In strijd met de wettelijke bepalingen heeft het Uwv verliesverrekening toegepast. Zij acht deze verliesverrekening bovendien in strijd met de zorgvuldigheid, het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur nu het Uwv bij eerdere berekeningen geen verliesverrekening heeft toegepast. Zij heeft verder betoogd dat volgens de rechtspraak verliesverrekening bij inkomsten in de Algemene Ouderdomswet (AOW) niet toelaatbaar is. Indien verliesverrekening in de WAZ wel toelaatbaar wordt geacht, levert dit een onderscheid op waarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op de uitspraak van de Raad van 6 maart 2008 (LJN BC6048). Ten slotte heeft zij erop gewezen dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij in beroep tevens heeft aangevoerd dat ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2008 door het Uwv ten onrechte nog geen besluit is genomen omtrent de vergoeding van de wettelijke rente.

3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank en op de in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden van oordeel dat voor de vaststelling van de grondslag van de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAZ artikel 9 van het Inkomensbesluit WAZ voorschrijft dat eerst als de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten in enig boekjaar of kalenderjaar tot een negatief bedrag leidt, de winst en inkomsten op nihil worden gesteld. Voor de juistheid van het namens appellante bepleite standpunt dat voor de vaststelling van haar inkomsten over 2003 alleen de winst uit de bakkerij meetelt en dat de verliezen van haar overige ondernemersactiviteiten op nihil dienen te worden gesteld, is in het Inkomensbesluit WAZ noch in de Nota van Toelichting bij dit Inkomensbesluit enig aanknopingspunt te vinden.

4.2. Ter ondersteuning van haar standpunt dat de toegepaste wijze van berekening in strijd met de wet is, stelt appellante zich voorts op het standpunt – zo begrijpt de Raad – dat nu in artikel 1, onder f, van de WAZ voor het begrip ‘winst uit onderneming’ wordt verwezen naar de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB), voor de uitleg van het winstbegrip in de zin van artikel 1 van de WAZ aansluiting moet worden gezocht bij afdeling 3.13 van de Wet IB. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Afdeling 3.13 van de Wet IB voorziet in een fiscale regeling die, uit oogpunt van rechtvaardige belastingheffing, een compensatiemechanisme biedt voor verliezen in latere jaren, zodat deze verliezen ten laste van de winst in eerdere jaren kunnen worden gebracht. De WAZ en het Inkomensbesluit WAZ ontberen zo’n compensatiemechanisme.

4.3. Ten aanzien van de door appellante aangevoerde grond dat de toegepaste wijze van berekening in strijd is met de zorgvuldigheid, het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur omdat het Uwv bij een eerdere berekening geen verrekening van de verliezen met de inkomsten uit de bakkerij heeft toegepast en aldus thans is teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt, overweegt de Raad dat de in dit verband door appellante aangehaalde stukken betrekking hebben op een geheel andere beoordeling dan de in geding zijnde berekening van het dagloon. De Raad is verder, met de rechtbank, van oordeel dat die stukken geen voor het Uwv bindende uitlating met betrekking tot de voor appellante geldende grondslag voor de vaststelling van het dagloon bevatten.

4.4. Ook het standpunt van appellante dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid van groepen verzekerden omdat bij de ene socialeverzekeringswet de verliesverrekening wel wordt gehanteerd (WAZ), maar bij een andere socialeverzekeringswet (AOW) niet wordt toegestaan, volgt de Raad niet. In de eerste plaats heeft het Uwv in het verweerschrift met juistheid erop gewezen dat van enige gelijkstelling van bepalingen in de AOW met die in de WAZ geen sprake is, omdat de AOW een collectieve volksverzekering betreft en de WAZ een op individuele premiebetaling gebaseerde arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor de groep van zelfstandigen.

Voorts berust het standpunt van appellante op een onjuiste lezing van de in 3.1 vermelde uitspraak van 6 maart 2008. In die uitspraak oordeelde de Raad dat er geen grond is om de fiscale verliesverrekening zoals neergelegd in afdeling 3.13 van de Wet IB te betrekken bij de vaststelling van inkomsten in verband met aanspraak op toeslag ingevolge de AOW. Een verrekening in hetzelfde boekjaar van positieve inkomsten uit bepaalde activiteiten van een betrokkene met negatieve inkomsten uit andere activiteiten van die betrokkene was in die uitspraak niet aan de orde.

4.5. De Raad stelt vast dat niet in geschil zijn de overige berekeningen waarop het Uwv de vaststelling van de grondslag van de toe te kennen uitkering heeft gebaseerd en de uitgangspunten die daarbij zijn gehanteerd.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht de vaststelling van het Uwv van de grondslag van de toegekende uitkering op € 49,87 bruto per uitkeringsdag met ingang van 29 januari 2004 heeft onderschreven.

4.7. De aangevoerde grond van appellante dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat zij bij de rechtbank had aangevoerd dat ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2008 door het Uwv nog geen besluit is genomen omtrent de vergoeding van de wettelijke rente, slaagt. Dit leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre. Ter zitting is namens het Uwv meegedeeld dat inmiddels een besluit inzake de vergoeding van de wettelijke rente is genomen. Nu de gemachtigde daarvan ter zitting geen afschrift heeft kunnen overleggen, zal de Raad aan deze mededeling voorbijgaan. De Raad overweegt dat het alsnog bij het bestreden besluit toekennen van een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% na aanvankelijke weigering van die uitkering in dit geval meebrengt dat appellante voor vergoeding van wettelijke rente over de te late betaling in aanmerking komt. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten, die appellante redelijkerwijs in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn in beroep begroot op een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op een bedrag van € 322,- wegens verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van appellante tot vergoeding van de wettelijke rente;

Bepaalt dat het Uwv de wettelijke rente vergoedt als is vermeld in 4.6;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

JL