Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-4500 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om arbeidsongeschiktheidsuitkering opnieuw te berekenen. UWV heeft geen splitsing aangebracht tussen het verleden (de periode tot aan het verzoek) en de toekomst (de periode vanaf het verzoek). De rechtbank heeft dat niet onderkend. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Uwv is bij de vaststelling van het dagloon per 19 oktober 1985 in overeenstemming met de destijds toepasselijke Dagloonregelen WAO terecht uitgegaan van het loon dat appellant op de eerste ziektedag (18 oktober 1984) per 4 weken verdiende. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4500 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juli 2009, 08/1703 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.B. Kelderman, werkzaam bij A&A, Advies & Administratie, te Oudkarspel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Bij besluit van 11 maart 1986 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 19 oktober 1985 recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 152,63. In dit besluit heeft appellant berust.

1.3. Bij brief van 3 april 2007 heeft appellant het Uwv verzocht zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 19 oktober 1985 opnieuw te berekenen. Daarbij heeft hij vermeld dat bij de berekening van het dagloon een rekenfout is gemaakt en voorts dat bij de berekening ten onrechte is uitgegaan van een maandsalaris van f 2.666,-- terwijl hij dit salaris verdiende per vier weken. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, welke afwijzing bij besluit op bezwaar van 9 mei 2008 is gehandhaafd. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant geen nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen, die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en destijds evenmin als beroepsgrond naar voren gebracht hadden kunnen worden, zodat het verzoek niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 mei 2008 ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat, aangezien appellant tegen het besluit van 11 maart 1986 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het verzoek van appellant van 3 april 2007 strekt ertoe dat het Uwv van dit besluit terug zou komen. Appellant is van mening, onder verwijzing naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 december 2007 (07/1541), dat het Uwv dit besluit ten volle had moeten heroverwegen, onder afweging van alle relevante belangen, en niet had mogen volstaan met de beoordeling van de vraag of sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Deze mening berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste lezing van de zojuist genoemde uitspraak. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat het Uwv het verzoek van appellant van 3 april 2007, anders dan het Uwv aanvankelijk had gedaan, had moeten aanmerken als een verzoek om herziening, en heeft het Uwv vervolgens opgedragen om alsnog op dat verzoek een besluit te nemen. Het Uwv heeft aan die uitspraak gevolg gegeven met het besluit van 28 januari 2008.

4.2. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (verwezen wordt naar onder meer CRvB 6 november 2003, JB 2004/29) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het echter aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 24 december 2003, RSV 2004/90). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker worden tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv bij de beoordeling van het verzoek om herziening niet conform hetgeen in onderdeel 4.2 is overwogen een splitsing heeft aangebracht tussen het verleden (de periode tot aan het verzoek) en de toekomst (de periode vanaf het verzoek). De rechtbank heeft dat niet onderkend. Op die grond moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 9 mei 2008 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal vervolgens bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.4. Wat betreft de periode tot de datum van het verzoek om herziening volgt de Raad het Uwv in zijn standpunt dat appellant in zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Appellant had de in zijn verzoek genoemde bezwaren ook naar voren kunnen brengen in een procedure tegen het besluit van 11 maart 1986. Het Uwv was derhalve bevoegd het verzoek in zoverre af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 11 maart 1986. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Wat betreft de aanspraak van appellant over de periode vanaf 3 april 2007 komt de Raad tot de volgende beoordeling. Appellant heeft aangevoerd dat is uitgegaan van onjuiste loongegevens, dat er vanaf het vaststellen van zijn uitkering in 1986 geen wettelijke indexering heeft plaatsgevonden en dat tevens bij de berekening van zijn dagloon ten onrechte niet zijn meegenomen de door hem ontvangen vaste emolumenten, zoals opgesomd in de door hem overgelegde productie 2.

4.6. De Raad is op basis van de beschikbare gegevens echter van oordeel dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon per 19 oktober 1985 in overeenstemming met de destijds toepasselijke Dagloonregelen WAO terecht is uitgegaan van het loon dat appellant op de eerste ziektedag (18 oktober 1984) per 4 weken verdiende, te weten f 2.626,--, welk loon vervolgens evenzeer terecht is geïndexeerd naar datum ingang WAO-uitkering, met 1,5% naar f 2.666,--. De Raad is verder van oordeel dat door appellant in het kader van het onderhavige verzoek geen verifieerbare gegevens zijn aangedragen op grond waarvan het Uwv bij deze vaststelling tevens de door appellant bedoelde vaste emolumenten had moeten meenemen, zo deze al vielen onder het begrip loon in de zin van de destijds van toepassing zijnde Coördinatiewet Sociale Verzekering.

4.7. Dit brengt de Raad tot de beslissing dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand dienen te worden gelaten.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 mei 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W. Altenaar.

IJ